Show Menu Menu toggle Close toggle Show Menu Search toggle Close toggle
Vijver © Thierry de Coninck

Eutrofiëring via oppervlaktewater

Inleiding

De lidstaten van de Europese Unie moeten streven naar het bereiken van een regionaal gunstige staat van instandhouding voor de Europees beschermde natuur, in uitvoering van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Hiertoe werden Speciale Beschermingszones (SBZ) afgebakend. Om het bereiken van de regionaal gunstige staat niet te belemmeren (of te behouden indien deze reeds bereikt is), moet voorkomen worden dat plannen, projecten of programma’s die niet nodig zijn voor het beheer van de SBZ, een significante impact (‘betekenisvolle aantasting’) hebben op deze gebieden. Daartoe wordt een passende beoordeling gemaakt van de effecten van dergelijke plannen, projecten of programma’s.

Een praktische wegwijzer moet begrepen worden als de meest actuele leidraad voor het beoordelen van een effect op de (realisatie van de) instandhoudingsdoelstellingen (IHD) in de SBZ, meer bepaald de Habitatrichtlijngebieden (SBZ-H). Per effectgroep wordt een praktische wegwijzer uitgewerkt. 

Voorliggende praktische wegwijzer werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), in overleg met thema-experten van de Vlaamse overheid (Instituut voor Natuur en Bosonderzoek en Vlaamse Milieumaatschappij) en besproken in de kwestiewerkgroep ‘IHD en passende beoordeling’ met betrokkenheid van maatschappelijke actoren.

LEESWIJZER



In de tekst wordt over habitats gesproken. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling. Het kan hier gaan over: actuele habitats, tot doel gestelde habitats en/of voorlopige zoekzones. In stap 2 van het hoofdstuk -Link tussen ingreep en effect- wordt hier uitgebreider op ingegaan. 

Met een activiteit wordt steeds een vergunningsplichtige1 activiteit bedoeld. Het kan gaan om een project, plan of programma.  

Indien er wordt gesproken over een betekenisvolle aantasting of betekenisvol effect wordt hiermee bedoeld de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ zoals omschreven in artikel 36 ter §3 van het Natuurdecreet2. Voor uitgebreide toelichting bij deze wetgeving wordt verwezen naar de Omzendbrief passende beoordeling OMG/2017/01

 


1 Definitie van ‘vergunningsplichtige activiteit’ volgens het Natuurdecreet, en als dusdanig vermeld in artikel 36ter§3 m.b.t. de figuur ‘Passende beoordeling’: een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is (Artikel 2, 46° van het Natuurdecreet).

In de betekenis van de definitie zoals omschreven in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (21/10/1997 artikel 2 30°: betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone).

 

2. Toepassingsveld van deze effectgroep

Deze praktische wegwijzer handelt alleen over de tot doel gestelde Europees te beschermen habitats binnen Habitatrichtlijngebied (SBZ-H) en niet over soorten die vallen onder de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Deze worden in een latere fase aan de praktische wegwijzer toegevoegd.

Eutrofiëring is de toename, in absolute zin of in beschikbaarheid, van de hoeveelheid voedingsstoffen in het milieu. De voornaamste eutrofiërende stoffen zijn nutriënten zoals fosfor- en stikstofverbindingen. 

Eutrofiëring maar ook verontreiniging via oppervlaktewater kan veroorzaakt worden door verschillende bronnen die hieronder kort worden toegelicht. Beide effecten zijn niet volledig los van mekaar te zien. Afhankelijk van de abiotische omstandigheden is er ook wisselwerking3 mogelijk. Voor een beschrijving van de effecten van verontreiniging via oppervlaktewater wordt doorverwezen naar desbetreffende praktische wegwijzer. 

 

2.1 Aanvoer van nutriëntenrijk oppervlaktewater

Voor de aanvoer van nutriëntenrijk water (of ander materiaal) ligt de focus op lozing van bedrijfsafvalwater, lozing van effluent van waterzuiveringsinstallaties en overstorten. De lozing van stoffen waarbij er enige vorm van twijfel is over de impact op de kwaliteit van een speciale beschermingszone, en daarmee gepaard gaande de instandhoudingsdoelstellingen, maakt onderdeel uit van de passende beoordeling.

De praktische wegwijzer geeft aan op welke manier het (potentieel) eutrofiërend effect van de te lozen stoffen dient te worden onderzocht. 

De praktische wegwijzer focust zich op langdurige lozingen (uitgezonderd overstorten). 

Diffuse lozingen vanuit de landbouw worden gevat door het Mestactieplan (MAP) en maken bijgevolg geen deel uit van voorliggende praktische wegwijzer. Puntlozingen vanuit de landbouw waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, maken wel deel uit van deze praktische wegwijzer. Bijvoorbeeld spoelwater van de melkkoeltank of gezuiverde afstroom van de kuilplaat indien dit niet op de mestkelder wordt aangesloten, of condenswater van de warmtekrachtkoppeling.

 

2.2 Overstroming

Via overstroming met nutriëntenrijk oppervlaktewater kan zowel ter hoogte van (semi-) terrestrische als stilstaande aquatische habitattypes eutrofiëring plaatsvinden. 

Wijziging van het overstromingsregime wordt behandeld in de praktische wegwijzer ‘wijziging hydrologie van een oppervlaktewaterlichaam’ en maakt bijgevolg geen deel uit van voorliggende praktische wegwijzer. 

 


De lozing van nitraat is bijvoorbeeld eutrofiërend, maar door bacteriële processen kan er nitriet ontstaan. Nitriet is reeds in lage concentraties toxisch voor diverse vissoorten. Analoog is de lozing van sulfaat eutrofiërend, maar bij toevloei naar vijvers, broekbos, moeras of veen, kan dit in zuurstofarmere slib/bodemlagen leiden tot vorming van waterstofsulfide (H2S), wat dan snel toxisch wordt voor fauna (algenbloei, botulisme) en vegetaties (voornamelijk in broekbos en veen).

3. De link tussen voortoets, passende beoordeling en project-MER

Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de passende beoordeling. De passende beoordeling gaat na of de (vergunde) activiteit leidt tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszones (SBZ). 

Het risico of de waarschijnlijkheid op een betekenisvolle aantasting kan onderzocht worden in een voortoets. Voor de effectgroep eutrofiëring via de lucht kan dit risico getoetst worden in de online applicatie voortoets (verder: voortoets-online-tool).

Is er via de voortoets-online-tool een indicatie dat er een risico of waarschijnlijkheid bestaat op een betekenisvolle aantasting van de habitats in een SBZ, dan is nader onderzoek aangewezen. 

In de voortoets-online-tool doorlopen we volgende stappen:

A. Waar vindt de ingreep plaats?

De aanvrager van de vergunning kan daartoe het projectgebied intekenen.

B. Om welke ingreep gaat het?

De aanvrager doorloopt een vragenlijst die de ingreep karakteriseert.

C. Welke effecten genereert ze?

Op basis van de projecteigenschappen of eigenschappen van het plan blijkt of er aanleiding kan zijn tot een effect.

D. Is er potentieel een negatieve impact?

Op basis van de projecteigenschappen wordt een afstand bepaald waarbinnen er mogelijks een impact is. Indien de impact reikt tot in een SBZ en overlapt met een habitat binnen dit SBZ, dat gevoelig is voor een bepaalde effectgroep, dan moet dit effect nader onderzocht worden. 

In een meer uitgewerkte passende beoordeling worden volgende stappen doorlopen:

E. Leidt de impact tot een betekenisvol effect, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten? 

F. Kan het effect vermeden worden door een wijziging van de uitvoeringsmethodiek en/of incorporatie van milderende maatregelen?

G. Welke opvolging is aangewezen omtrent de naleving van de voorwaarden?



In voorliggende praktische wegwijzer worden de stappen E, F en G toegelicht.

De voortoets-online-tool is in zijn huidige vorm beperkt en geeft geen volledige evaluatie op alle mogelijke effecten binnen Speciale Beschermingszones (SBZ). Hiermee dient rekening mee gehouden te worden bij de interpretatie van de rapportage van die voortoets-online-tool. Op zowel de startpagina als het rapport van de voortoets-online-tool kan u een overzicht terugvinden van de effecten die actueel worden getoetst. 

De uitspraak in het rapport van de voortoets-online-tool slaat dan ook alleen op de effecten die deze tool heeft kunnen nagaan. Er wordt op dit moment via de tool alleen getoetst aan tot doel gestelde Europees te beschermen habitats en niet aan soorten die vallen onder de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Bovendien doet de voortoets-online-tool enkel uitspraak over de project-eigen effecten. Het is aan de initiatiefnemer om de impact van zowel cumulatieve effecten als de niet-getoetste effectgroepen op zowel habitats als Europees beschermde soorten na te gaan en te beoordelen. 

schema

4 De effectgroep eutrofiëring via oppervlaktewater maakt deel uit van de voortoets-online-tool

Indien de meer uitgewerkte passende beoordeling aangeeft dat er een betekenisvolle aantasting te verwachten is, dan kan de bevoegde overheid geen toestemming geven voor de geplande activiteit. Deze praktische wegwijzer behandelt niet de uitzonderingsprocedure welke gevolgd dient te worden om een activiteit toch te laten doorgaan, ook al zijn er negatieve effecten te verwachten. Het alternatievenonderzoek, de dwingende reden van groot openbaar belang en de compensatie komen in deze wegwijzer dus niet aan bod. 

Project-MER

De voortoets-online-tool richt zich in hoofdzaak naar ‘gemiddelde en vaak voorkomende activiteiten’ in of in de buurt van Speciale Beschermingszones (SBZ) van het Natura2000-netwerk. 

De initiatiefnemer moet de voortoets-online-tool zelf kunnen uitvoeren. Daarom is zorgvuldig gelet op het laagdrempelig en toegankelijk karakter van de tool. 

Een milieueffectrapport (MER) daarentegen wordt door erkende deskundigen opgesteld binnen een vooraf bepaald traject. De expert dient het MER-plichtig project met op maat ontworpen beoordelingsprocedures te bekijken. De voortoets-online-tool focust op kleinschalige activiteiten en hanteert (mogelijks) andere criteria dan de MER-richtlijnen. De voortoets-online-tool kan bijgevolg geen uitspraak doen over de impact van MER-plichtige projecten. Het wordt aanbevolen om bij elke MER een passende beoordeling toe te voegen. 

 

Duurzame instandhouding

1. Gevolgen van eutrofiëring

In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de habitattypes die gevoelig zijn voor eutrofiëring via oppervlaktewater. Eutrofiëring zorgt er voor dat er meer nutriënten aanwezig zijn in de bodem, de lucht en het water. Dit kan zorgen voor een overmaat of onevenwicht in de beschikbaarheid van plantopneembare nutriënten. De effecten hiervan zijn divers. Het gaat om onder meer een verhoogde biomassaproductie en een dominantie van meer competitieve plantensoorten die snel reageren op deze nutriëntentoename ten nadele van minder competitieve soorten die gebonden zijn aan voedselarme(re) standplaatsen.

Een typisch gevolg van eutrofiëring van terrestrische habitattypes is vergrassing en verruiging. In oppervlaktewatersystemen leidt eutrofiëring tot een snelle aangroei van algenpopulaties. Dit kan op zijn beurt leiden tot vertroebeling, zuurstofgebrek, vissterfte, daling biodiversiteit enz.

2. Kaderrichtlijn Water

Als het over oppervlaktewaterkwaliteit gaat is het relevant om ook kort in te gaan op de Europese Kaderrichtlijn Water 2000/60/EG5 . De KRW werd omgezet in het decreet Integraal Waterbeleid en vormt het wettelijk kader om de waterkwaliteit te beschermen en te herstellen. De centrale doelstelling is de goede toestand van het watersysteem bereiken. 

2.1 Karakterisering oppervlaktewaterlichamen

Het decreet Integraal Waterbeleid onderscheidt drie groepen oppervlaktewaterlichamen: de kunstmatige waterlichamen, de sterk veranderde waterlichamen en de natuurlijke waterlichamen. De niet-kunstmatige (natuurlijke en sterk veranderde) oppervlaktewaterlichamen worden ingedeeld in de categorieën rivieren, meren en overgangswateren. Vervolgens worden ze verder gedifferentieerd in watertypen (bv: Kleine Beek, Grote Rivier, etc.) met bijhorend type specifiek beoordelingskader. Het type waterlichaam is te consulteren via het geoloket stroomgebiedbeheerplannen. Een korte handleiding om dit vlot terug te vinden is toegevoegd als bijlage aan deze wegwijzer. De beoordelingskaders per watertype zijn opgenomen in bijlage 2.3.1 van VLAREM II. 

De oppervlaktewaterlichamen rivieren en overgangswateren zijn daarnaast ook opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas. Daarin worden waterlopen ingedeeld volgens verschillende categorieën afhankelijk van wie deze waterlopen beheert (bevaarbare waterlopen, onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 of 3 en niet-geklasseerde waterlopen). 

Een laatste manier om oppervlaktewaterlichamen in te delen is op basis van de oppervlakte van het afstroomgebied. Dit resulteert in drie ordes

  • VL: De Vlaamse oppervlaktewaterlichamen (> 50 km²)
  • L1: De lokale oppervlaktewaterlichamen van eerste orde (10-50 km²)
  • L2: De lokale oppervlaktewaterlichamen van tweede orde (< 10 km²)

In de Wezer-toets van de VMM wordt de classificatie op basis van afstroomgebied gehanteerd (VL/L1/L2). Binnen voorliggende praktische wegwijzer wordt daarom ook deze classificatie gehanteerd.

classificatie oppervlaktewater

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De codes van de watertypes worden in Tabel 1 van het achtergronddocument “Methodieken oppervlaktewater” van de stroomgebiedsbeheerplannen vermeld. 


5De KRW en overstromingsrichtlijn worden in Vlaanderen omgezet in het Decreet Integraal Waterbeleid (18 juli 2003, gecoördineerd op 15 juni 2018 – waterwetboek). Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. De stroomgebiedbeheerplannen (SGBP) geven uitvoering aan de KRW en aan de Europese overstromingsrichtlijn (2007).

 

2.2 Stofgroepen

De beoordeling van de chemische waterkwaliteit kijkt naar de aanwezigheid van prioritaire stoffen (PS) die een significant risico omvatten voor het aquatisch milieu. Het gaat in het totaal om 45 stoffen6 waarvoor maatregelen zijn geformuleerd die gericht zijn op progressieve vermindering van de lozing van deze stoffen. In bijlage 2C lijst III van VLAREM II wordt een overzicht gegeven van de prioritaire stoffen. Van de 45 PS zijn er 19 aangemerkt als prioritair gevaarlijke stoffen (PGS). Voor de PGS moeten de maatregelen gericht zijn op stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen. 

Daarnaast moeten de lidstaten individueel een lijst opstellen met verontreinigende stoffen (VS) die relevant zijn voor ieder stroomgebied. Bijlage 2A van VLAREM II omvat een indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen in afvalwater en bijlage 2C van VLAREM II omvat een algemene lijst van gevaarlijke stoffen voor lozing in aquatisch milieu. 


6De lijst van 45 PS (incl. 19 PGS) is vastgesteld in bijlage I van de Richtlijn Prioritaire Stoffen uit 2013 (2013/39/EU).

2.3 Milieukwaliteitsnorm

De milieudoelstellingen die in de KRW worden geformuleerd zijn vertaald naar milieukwaliteitsnormen (MKN)7 . In de KRW worden de milieukwaliteitsnormen als volgt gedefinieerd: 

De milieukwaliteitsnormen (MKN) voor oppervlaktewater zijn de concentraties van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mogen worden overschreden. 

In Vlaanderen zijn de MKN verder doorvertaald naar indelingscriteria (IC)8 dewelke, in tegenstelling tot de MKN, niet gericht zijn op de concentratie in het oppervlaktewater, maar op de concentratie in het lozingswater. Zowel de MKN als de IC zijn te consulteren via bijlage 2.3.1 van VLAREM II

Voor onderstaande parameters zijn de normen te consulteren in Art. 2 van betreffende bijlage van VLAREM en afhankelijk van het type oppervlaktewater (zie paragraaf 3.1):

  • Thermische omstandigheden;
  • Zuurstofhuishouding;
  • Zoutgehalte;
  • Zuurtegraad;
  • Nutriënten;
  • Zwevende stof; en
  • Biologische parameters.

De gehanteerde norm voor stikstof- en fosforverbindingen zal dus afhankelijk zijn van het type oppervlaktewater (bv: Kleine Beek, Kleine Rivier, etc.). 


7MKN zijn terug te vinden in bijlage II van de richtlijn 2013/39/EU.

8Het indelingscriterium (IC) is de concentratie vanaf wanneer het afvalwater beschouwd moet worden als ‘bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen’. Het indelingscriterium komt overeen met de jaargemiddelde MKN, uitgezonderd voor metalen waarvoor het de MKN omgerekend werd van ‘opgelost’ naar ‘totaal‘ waarde op basis van partitiecoëfficiënten.

2.4 Kwaliteitsklassen

Overeenkomstig bijlage V van de KRW wordt voor de beoordeling van de ecologische toestand van natuurlijke oppervlaktewaterlichamen een kader met vijf kwaliteitsklassen gehanteerd: zeer goed, goed, matig, ontoereikend en slecht. De MKN vormt de grens tussen goede en matige toestand en komt overeen met de zgn. goede ecologische toestand (GET)9.

Voor sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen worden er niet vijf maar vier kwaliteitsklassen onderscheiden: goed en hoger, matig, ontoereikend en slecht. De grens tussen “goed en hoger” en “matig” wordt in dit geval het goed ecologisch potentieel (GEP)10 genoemd.

De ecologische toestand en het ecologisch potentieel worden bepaald op basis van een biologische en fysisch-chemische monitoring.

Voor de chemische toestand worden er slechts twee klassen onderscheiden op basis van de MKN, namelijk goed en niet goed. 

 

vergelijking kaderrichtlijn water versus natuur

Figuur: Illustratie van de verschillende beoordelingsklassen van oppervlaktewaterlichamen. MKN: Milieukwaliteitsnorm; GET: Goede Ecologische Toestand; GEP: Goed Ecologisch Potentieel; ZGET: Zeer Goede Ecologische Toestand


9De grenswaarden tussen de andere kwaliteitsklassen werden vastgelegd in Hoofdstuk 3 (Doelstellingen) van het Vlaams gedeelte van de SGBP (Tabel 33 en volgende).

10Er wordt voor deze waterlichamen niet uitgegaan van de referentietoestand maar wel van het maximaal ecologisch potentieel (MEP). Dit is de toestand die zoveel mogelijk normaal is voor het waterlichaam gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken ervan. De grenswaarden zijn te consulteren in Hoofdstuk 3 (Doelstellingen) van het Vlaams gedeelte van de SGBP (bijlage 3 SGBP).

 

2.5 Wezer-arrest

Het Wezer-arrest (C-461/13) dateert van 1 juli 2015 en stelt de kwaliteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater van de KRW verder op scherp. In dit arrest stelt het Europees Hof van Justitie dat de goedkeuring van een project moet geweigerd worden als dat project een achteruitgang11 van de toestand van het oppervlaktewater kan teweegbrengen of als het bereiken van de goede toestand in gevaar wordt gebracht.

Naar aanleiding van het Wezer-arrest is door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) een nieuwe methode voor Impactbeoordeling Bedrijfsafvalwater oftewel Wezer-toets opgesteld (01/02/2021). De methodiek in voorliggende praktische wegwijzer is in de mate van het mogelijke hierop afgestemd, rekening houdend met het feit dat de Wezer-toets vertrekt vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de passende beoordeling vanuit de Habitatrichtlijn (HRL). 


11Achteruitgang van ten minste één kwaliteitselement

3. Habitatrichtlijn

De Habitatrichtlijn 92/43/EEG vraagt om de potentiële effecten van activiteiten te toetsen aan de gunstige staat van instandhouding. Het Natuurdecreet vraagt om te toetsen aan de natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszones (SBZ). Hieronder vallen: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende SBZ is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III bij het Natuurdecreet.

Dit betekent dat ook de standplaatsfactoren op orde moeten worden gebracht, opdat de gunstige staat kan worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld: de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem of grondwater, etc. Voor de effectbeoordeling van activiteiten, net als voor het bepalen van het beleid tot voorkoming van verslechtering van de habitats en tot behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de kwaliteit van de ecologische standplaatsvereisten, uitgedrukt in grenswaarden, een belangrijke indicator.

De ecologische standplaatsvereisten van een habitattype kunnen gekoppeld worden aan de staat van instandhouding (gunstig of ongunstig). De grens tussen gunstig of ongunstig is per standplaatsvereiste de grenswaarde. Een gunstig abiotisch bereik is het globale meetbereik van een milieuvariabele waarbinnen een habitattype duurzaam kan functioneren. De grenzen van dit bereik zijn de grenswaarden.

In onderstaande figuur wordt uitdrukking gegeven aan de relatie tussen de staat van instandhouding en de grenswaarden.

 

figuur grenswaarden

In de effectenanalyse kan berekend worden in hoeverre de abiotische randvoorwaarde wijzigt. Om deze wijziging te kunnen beoordelen, wordt er getoetst aan de grenswaarde.

De huidige milieudruk bepaalt mee de staat van instandhouding van een habitat. Op basis van de grenswaarden voor de ecologische standplaatsvereisten van een habitat, kan dan bepaald worden wat de impact is van de huidige milieudruk en de (bijkomende) milieudruk van te vergunnen activiteiten. Er kan nagegaan worden welke marge er is om bijkomende milieudruk toe te laten.

De grenswaarde is, op basis van deze redenering, de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte of volume voor een bepaald habitattype of leefgebied zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn en/of het behoud/herstel naar de beoogde gunstige lokale staat van instandhouding gehypothekeerd wordt.

4. Grens- of referentiewaarden eutrofiëring via oppervlaktewater

Binnen de passende beoordeling wordt er een onderscheid gemaakt tussen gunstige en ongunstige staat van instandhouding. De grens tussen beide wordt aangegeven door grenswaarden. Hierbij wordt geen verdere graduele onderverdeling gemaakt zoals voor bepaalde stofgroepen het geval is binnen de KRW (zie 2.4 Kwaliteitsklassen). 

Tot op heden zijn er voor de oppervlaktewaterkwaliteit amper grenswaarden gekend. In eerste instantie dient steeds nagegaan te worden of deze voor de betreffende stoffen en habitattypes beschikbaar zijn. Indien niet, wordt in afwachting van de grenswaarden gebruik gemaakt van referentiewaarden. Van zodra de mogelijkheid zich stelt, worden de referentiewaarden vervangen door de ontwikkelde grenswaarden.

4.1 Fysisch-chemische parameters

De fysisch-chemische parameters bepalen of er zich een gezond ecosysteem kan ontwikkelen. Onder fysisch-chemische parameters worden alle stoffen begrepen die relevant zijn voor of betrekking hebben op:

  • Geleidbaarheid;
  • Zuurstofhuishouding;
  • Zuurtegraad; of
  • Nutriënten.

Verschillende (te lozen) stoffen kunnen een impact hebben op een of meerdere van deze parameters.

Het zijn voornamelijk de fysisch-chemische parameters die een duidelijk effect hebben op de ecologie van habitats en de staat van instandhouding. Daarom worden voor deze parameters strengere referentiewaarden gehanteerd dan voor de overige verontreinigende stoffen.

Binnen voorliggende praktische wegwijzer wordt enkel ingegaan op de lozing van nutriënten, nl. stikstof en fosfor. Voor eutrofiëring is het voornamelijk belangrijk de totale stikstof- en totale fosforbelasting te evalueren12 en niet zozeer de afgeleide parameters (nitriet, nitraat, orthofosfaat, etc.). De afgeleide parameters geven enkel de beschikbaarheid van deze elementen weer. Let wel, in het vervolgtraject van deze praktische wegwijzer waarbij de impact op het leefgebied van soorten bekeken wordt, is het van belang om ook voor nitriet het verontreinigend effect in beeld te brengen. Nitriet is namelijk ook potentieel toxisch voor fauna. Nitriet (i.f.v. fauna) en alle overige stoffen die niet tot de groep van nutriënten behoren dienen onderzocht te worden conform de praktische wegwijzer ‘verontreiniging via oppervlaktewater'.

De gunstige lokale staat van instandhouding (LSVI) van een oppervlaktewaterafhankelijk habitattype kan niet onafhankelijk worden gezien van een goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP) van het waterlichaam waarmee het in relatie staat (zie 2.4 Kwaliteitsklassen). 

Een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel volgens de KRW kan gepaard gaan met een gunstige LSVI, maar dat is niet noodzakelijk het geval. Een oppervlaktewaterafhankelijk habitattype kan namelijk op heden een gunstige LSVI vertonen, maar toch evolueren naar een ongunstige LSVI. Er dient rekening gehouden te worden met een vertragend effect. Het is enkel bij een “zeer goede ecologische toestand” dat er zekerheid is dat elk habitattype van risico’s gevrijwaard blijft. In onderstaande figuur wordt dit geïllustreerd.

vergelijking ZGET en referentiewaarde

Figuur: relatie tussen de ecologische toestand en ecologisch potentieel conform de KRW en de lokale staat van instandhouding van een oppervlaktewaterafhankelijk habitattype.

Het is dus de ‘zeer goede ecologische toestand (ZGET)’ waar in een passende beoordeling als referentiewaarde aan getoetst wordt voor de fysisch-chemische parameters binnen natuurlijke oppervlaktewaterlichamen. Dit komt overeen met de grens tussen de ‘goede’ waterkwaliteitsklasse en de ‘zeer goede’ kwaliteitsklasse in de KRW (zie 2.4 Kwaliteitsklassen). Deze kunnen teruggevonden worden in de fiches van de SGBP met milieudoelstellingen en afwijkingen per waterloop (zie SGBP webportaal). Voor wat betreft het ecologisch potentieel (m.a.w. voor de sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen) werden deze niet bepaald.


12Naast de evaluatie van input aan eutrofiërende stoffen, kan ook de mogelijke immobilisatie door kationen (bv. ijzer dat bindt tot ijzerfosfaat) mee in beschouwing genomen worden. Kationen zoals ijzer of calcium (aangevoerd via kwel bijvoorbeeld, of beschikbaar in het sediment van de waterloop) kunnen aangevoerde nutriënten deels of geheel, en tijdelijk of meer permanent binden tot bv. calcium-of ijzerfosfaat. Een effect als algenbloei gaat bijvoorbeeld vooral optreden wanneer nutriënten niet meer geïmmobiliseerd worden in het ontvangend waterlichaam, of die capaciteit qua massabalans werd overschreden. Tijdelijke droogval en de bijhorende redoxreacties geven een wisselende dynamiek tussen vastlegging en mobilisatie.

Stap 1 Afbakening onderzoeksgebied

In eerste instantie wordt het onderzoeksgebied overgenomen uit de voortoets-online-tool. Daarin wordt een contour afgebakend op basis van de verwachte verdunning stroomafwaarts van de lozing. Voor getijdegevoelige waterlopen wordt ook de mogelijke verspreiding stroomopwaarts van de lozing in rekening gebracht. De methodiek voor de afbakening van het onderzoeksgebied die gevolgd wordt in de voortoets-online-tool staat beschreven in bijlage 7.

Een lozing op stilstaande wateren wordt in principe niet toegestaan. De impact van een lozing op stromend oppervlaktewater waarbij het oppervlaktewater voedend is voor, of in verbinding staat, met stilstaande wateren maakt geen deel uit van de voortoets-online-tool maar dient wel nader bekeken te worden binnen de passende beoordeling.

Het onderzoeksgebied afgebakend in de voortoets-online-tool is slechts een eerste benadering. In specifieke situaties zoals bij een lozing op een sterk geëutrofieerde waterloop of bij lozing van een zeer geconcentreerde stof, kan het noodzakelijk zijn om het onderzoeksgebied verder uit te breiden. Daarnaast kunnen er ook situaties zijn waar, omwille van sterke verdunning door een naburige lozing of door sluizen die de getijdenwerking beïnvloeden, het onderzoeksgebied verkleind kan worden. Verdere verfijning van het onderzoeksgebied is dus sterk gekoppeld aan stap 4 Actuele milieudruk en stap 5 Impact gepland initiatief.

Het onderzoeksgebied kan in uitzonderlijke situaties op vraag van ANB of op vraag van de initiatiefnemer, mits onderbouwing, worden bijgestuurd. 

✔ Voeg een tabel toe met voor elk lozingspunt minstens een overzicht van de te lozen stoffen, concentraties, en debieten. Geef ook aan of het gaat over een nieuwe vergunning, hernieuwing van de vergunning met of zonder wijziging.

✔ Voeg een kaart toe aan de passende beoordeling met daarop de locatie van de lozing, de betrokken waterlopen (met orde & typering) en de afbakening van het initiële onderzoeksgebied (cf. voortoets-online-tool) en het verfijnde onderzoeksgebied (indien van toepassing).

Stap 2 Lokalisatie habitats

Een habitat is een levensgemeenschap van planten en dieren met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken. In Vlaanderen zijn er 48 verschillende habitattypes (zie bijlage I van het Natuurdecreet). 

Net zoals bij de voortoets wordt nagegaan welke habitats er voorkomen binnen het onderzoeksgebied en waarop een eventueel effect moet onderzocht worden. Het is hierbij van belang om zowel actuele als de potentiële habitats in rekening te brengen. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling. Het kan hier gaan over: 

  • de actueel voorkomende habitats
  • de doelen onder passend beheer: locaties waar reeds instandhoudingsdoelstellingen voor habitats ruimtelijk geplaatst en vastgelegd zijn in goedgekeurde natuurbeheerplannen of daarmee vergelijkbare overeenkomsten; en
  • de voorlopige zoekzones: zones die gevrijwaard worden per habitat met het oog op het optimaal plaatsen in de toekomst van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken SBZ. 

De ruimtelijke gegevens zijn beschikbaar op Geopunt als shapefile:

⇒ de ‘Natura 2000 Habitatkaart’ is de referentie voor de actueel voorkomende habitats, al dan niet gecorrigeerd o.b.v. terreinwaarnemingen. 

⇒ de ‘Voorlopige zoekzones instandhoudingsdoelen Natura 2000 versie 2’ bevat:

         o de voorlopige zoekzones; en

         o de doelen onder passend beheer.

De doelen onder passend beheer mogen, indien noodzakelijk, aangevuld worden op basis van recent goedgekeurde beheerplannen.

⇒ Geopunt: natuurstreefbeelden

Combineer stap 1 en stap 2 om tot volgend resultaat te komen:

✔ Voeg een kaart toe aan de passende beoordeling met daarop de locatie van de activiteit en visualiseer de actuele en potentiële habitats binnen het onderzoeksgebied.

 

Stap 3 Nagaan gevoeligheid

3.1 Habitattype gevoelig voor eutrofiëring via oppervlaktewater? 

In bijlage 1 staat weergegeven of een habitat gevoelig is voor eutrofiëring via oppervlaktewater. Enkel diegene die gevoelig zijn voor het effect dienen deel uit te maken van de passende beoordeling.

Overzicht gevoelige habitattypes

3.2 Oppervlaktewaterafhankelijkheid van habitattypes

Naast de gevoeligheid van een habitat is ook de mate waarin het afhankelijk is van oppervlaktewater relevant. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) heeft de habitats opgedeeld in drie types (zie bijlage 2):

  • TYPE 1: habitats direct onder invloed van oppervlaktewater
  • TYPE 2: habitats onder invloed van oppervlaktewater via overstroming 
  • TYPE 3: habitats enkel onder invloed van oppervlaktewater via incidentele overstroming

Overzicht oppervlakteafhankelijkheid habitattypes

De beoordeling van het effect is bijgevolg afhankelijk van het type habitat, het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd en de te lozen stof(fen). 

 


3.2.1 HABITAT - TYPE 1


Voor habitats die onder directe invloed staan van het oppervlaktewater ligt de focus op het milieucompartiment oppervlaktewater. Bijkomend dient ook de aandacht gevestigd te worden op secundaire effecten zoals de impact op het ondiep grondwater.

In eerste instantie dient nagegaan te worden of er reeds gunstige abiotische bereiken of grenswaarden gekend zijn. Indien er geen grenswaarden m.b.t. de habitat(s) (of daaraan gekoppelde parameters) gekend zijn, worden de waarden voor de ZGET of MKN gehanteerd, afhankelijk van het type waterloop waarop geloosd wordt (zie 2.4 Referentiewaarden).

3.2.1.1 Lozing op natuurlijke waterloop – orde VL of L1

Op basis van de inzichten besproken in 2.4 Referentiewaarde wordt er voor natuurlijke waterlopen van het type VL/L1 (zie 3.1 Kaderrichtlijn water - karakterisering oppervlaktewaterlichamen) voor de fysisch-chemische parameters gebruik gemaakt van de referentiewaarde voor de ‘zeer goede ecologische toestand’ (ZGET). Deze kunnen teruggevonden worden in de fiches van de SGBP met milieudoelstellingen en kunnen verschillen per waterloop (zie SGBP webportaal). 

3.2.1.2 Lozing op sterk veranderde of kunstmatige waterloop – orde VL of L1

Voor de niet-natuurlijke (sterk veranderde of kunstmatige) waterlopen wordt er in de KRW geen verder onderscheid tussen ‘goed’ en ‘zeer goede’ toestand. Hierbij wordt afgetoetst aan het goed ecologisch potentieel (GEP), hetgeen overeen komt met de MKN. De MKN kan geraadpleegd worden via bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

3.2.1.3 Lozing op waterloop - orde L2

Aangezien de waterlopen van orde L2 buiten de scope vallen van de VMM, is hier minder informatie over terug te vinden. Het zijn echter net deze kleinere waterlopen die vaak door SBZ-gebieden stromen en hebben daardoor een groot ecologisch belang.

Bij L2 type waterlopen wordt voor de fysisch-chemische parameters getoetst aan de MKN van het type Kleine Beek of Kleine Kempense beek (indien in de Kempen gelegen), te raadplegen via bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

3.2.1.4 Stilstaande wateren

Ook heel wat stilstaande wateren ontvangen een aanzienlijk deel van de vuilvracht die door lozingen in de omgeving gebracht wordt. In de nota van INBO (mei 2020) in bijlage 3 wordt de omvang van deze problematiek geschetst. Er wordt een overzicht gegeven van potentieel blootgestelde habitats in waterloopgevoed stilstaand water. Bijlage 5 omvat bijkomende informatie over de mate van gevoeligheid van aquatische habitattypes voor overstroming met nutriëntenrijk water. Bijlage 5 is onderdeel van het advies A4416 van het INBO.  

Voor stilstaande wateren wordt getoetst aan de MKN van de categorie ‘meren’, te raadplegen via bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

 


3.2.2 HABITAT - TYPE 2 en 3


Habitattype 2 en 3 zijn habitats die enkel via overstroming in contact (kunnen) staan met het oppervlaktewater. Voor type 2 en 3 habitats dient gekeken te worden (a) of de habitats gelegen zijn binnen overstromingsgebied dat gerelateerd is aan de waterloop waarop wordt geloosd en (b) naar de combineerbaarheid van het habitattype met overstroming. 

Voor de bepaling van overstroombaar gebied kunnen de pluviale en fluviale overstromingskaarten T10 (grote kans op voorkomen, minimaal 1 keer om de 10 jaar) in het huidig klimaat13 geraadpleegd worden via het Waterinfo.be portaal. Pluviale overstromingen hoeven enkel meegenomen te worden indien deze overstromingen zorgen voor connectie tussen het gevoelige habitat en het waterlichaam waarop geloosd wordt. 

De overige habitats dienen niet verder beschouwd te worden in de passende beoordeling voor wat betreft deze effectgroep.

Om na te gaan in welke mate een habitattype gevoelig is voor overstroming kan het onderzoek van De Nocker et al. (2007) als referentiebasis worden gebruikt. Er dient te worden nagegaan welke vegetatie- en of bostypes (aangeduid met Nxx voor de natuurtypes en Bxx voor de bostypes) overeenkomen met het betrokken type 2 of type 3 habitat. Hiervoor wordt verwezen naar de vertaalsleutel met de bijhorende verduidelijking in het INBO advies A4416. Een samenvattende tabel is opgenomen in bijlage 4 van voorliggende wegwijzer.

Voor de weerhouden natuurtypes kan uit het INBO advies A4416 en bijlage 4 afgeleid worden of ze: 

  • optimaal voorkomen – score 2
  • tolerant zijn voor overstroming – score 1
  • niet tolerant zijn – score 0

bij overstroming met nutriëntenrijk water.

Voor de weerhouden bostypes kan afgeleid worden of ze: 

  • zeer gevoelig – score 3 
  • matig gevoelig – score 2
  • niet gevoelig – score 1 

zijn voor aanrijking, door bv. overstroming met nutriëntenrijk water.

Indien uit de vertaalsleutel (bijlage 4) meerdere natuurtypes of bostypes volgens De Nocker et al. (2007) kunnen geïdentificeerd worden, dienen die natuurtypes of bostypes weerhouden te worden die het best aansluiten bij de actuele toestand van het habitat. Deze toestand dient bij twijfel nagegaan te worden op het terrein. Indien op basis van een expertenoordeel geen eenduidig besluit gevormd kan worden over de correcte natuurtypes of bostypes, of indien terreinbezoek niet mogelijk is, dienen de meest stringente gevoeligheidswaarden volgens De Nocker et al. (2007) weerhouden te worden.

Indien uit de vertaalsleutel (bijlage 4) geen natuurtype of bostype volgens De Nocker et al. (2007) kan geïdentificeerd worden, dient de gevoeligheid van het habitat bepaald te worden op basis van een expertenoordeel. Hierbij kan het aangewezen zijn om op het terrein de actuele toestand van de habitats te verifiëren.

✔ Voeg een tabel toe aan de passende beoordeling met de gevoeligheid van de habitats binnen het onderzoeksgebied en de referentiewaarden voor de parameters waar de lozing effect op heeft. 


13Idealiter wordt gekeken naar zeer frequente (i.e. jaarlijks of minstens 2-jaarlijks) overstromingen. Echter, de gevalideerde overstromingskaart met meest frequente retourperiode betreft een T10 (‘grote kans’). Gezien de wetenschappelijke consensus dat intense buien steeds frequenter zullen voorkomen, wordt deze kaart toch gebruikt voor het aanduiden van de effectief en zeer frequent overstroomde delen van het studiegebied. Hierbij wordt aangenomen dat een T10 van het huidige klimaat ongeveer overeenkomt met een T2 van het toekomstig klimaat. Hierdoor wordt de aanduiding van de overstromingscontour enerzijds worst-case, maar anderzijds ook meteen future-proof.

Stap 4 Actuele milieudruk

Waar de voortoets-online-tool geen rekening houdt met de actuele milieudruk, wordt dit voor de passende beoordeling wel in rekening gebracht. Het is in het kader van de passende beoordeling van belang te weten of de actuele milieudruk aanvaardbaar is. Bovendien kan hieruit blijken dat het onderzoeksgebied verkleind of in uitzonderlijke situaties uitgebreid dient te worden. Het effect van een lozing op een waterloop waar de grens- of referentiewaarde actueel reeds wordt overschreden, reikt (potentieel) verder dan een lozing op een waterloop waar dat niet het geval is. 

De beoordeling van de actuele milieudruk gebeurt op basis van de reeds aanwezige concentraties aan eutrofiërende stoffen in het onderzoeksgebied. Hierbij dient te worden nagegaan of de concentraties aan eutrofiërende stoffen binnen het bereik van de grens- of referentiewaarden van de gevoelige habitats vallen. Het is van belang om een beeld te krijgen van de situatie ter hoogte van het betreffende SBZ.

 

4.1 Waterkwaliteit- en debietsgegevens

De actuele oppervlaktewaterkwaliteit wordt beoordeeld door te kijken naar twee factoren die de vracht aan de te onderzoeken (eutrofiërende) stoffen in het onderzoeksgebied bepalen: 

  • Debiet van de ontvangende waterloop binnen het onderzoeksgebied: 

    • Berekening: hierbij is het laagwaterdebiet (10-percentiel dag debiet Q10) maatgevend (Qw10)14
    • Locatie: minimaal 1 meetpunt gelegen stroomopwaarts van de lozing (op dezelfde waterloop)15.
    • Frequentie: tijdsreeks van minimaal 12 metingen gespreid over een periode van minimaal 1 jaar. Bij uitzondering kan worden toegestaan om enkel de zomerperiode op te nemen in de tijdsreeks (lage debieten – worst case aanname). 

     

  • Concentratie van de te lozen stof in het ontvangende waterlichaam: 

    • Toetsingswijze: de specifieke toetsingswijze16 wordt bepaald overeenkomstig met de toetsingswijze die voor de vastgelegde referentiewaarden wordt gehanteerd. 
    • Locatie:

      - minimaal 1 meetpunt gelegen binnen het onderzoeksgebied (Cbtp), ter hoogte of nabij het SBZ. 

      - in geval van hervergunning ook minimaal 1 meetpunt gelegen op het eerste segment stroomopwaarts van het bestaand lozingspunt
    • Frequentie: tijdsreeks van minimaal 12 metingen gespreid over een periode van minimaal 1 jaar.

Merk op dat voornamelijk de kwaliteitsgegevens ter hoogte van de SBZ zelf belangrijk zijn.

Bij het verzamelen van de gegevens kan er gebruik gemaakt worden van bestaande lokale metingen of gemodelleerde debieten, concentraties of vrachten. Indien deze niet beschikbaar zijn worden nieuwe metingen uitgevoerd of default waarden gebruikt. Hieronder worden de databronnen verder toegelicht en worden er kwaliteitseisen vooropgesteld.


14Conform het Wezer-stappenplan van de VMM.

15Aangezien het debiet van waterlopen toeneemt in stroomafwaartse richting is een bovenstroomse meting van debiet een ‘worst case’ benadering van het debiet binnen het onderzoeksgebied.

16Het is aangewezen om zowel het gemiddelde, het 90-percentiel als het maximum weer te geven.

4.1.1 Bestaande lokale meetgegevens

Lokale waterkwaliteits- en/ of debietsmeetgegevens worden beschikbaar gesteld via publieke databanken. Enkele voorbeelden zijn:

  • VMM Geoloket Waterkwaliteit is raadpleegbaar via : http://geoloket.vmm.be/Geoviews/. Dit loket bevat o.a. gegevens over lozingen van bedrijfsafvalwater, overstorten, en waterzuiveringsinstallaties. Daarnaast zijn er ook gegevens beschikbaar van de waterbodem en biologische en fysisch-chemische oppervlaktewaterkwaliteit. Het webloket bevat ook de waterkwaliteitsmetingen uit het MestActiePlan (MAP-meetnet). 

  • Webportaal Waterinfo.be is raadpleegvaar via: https://www.waterinfo.be/Meetreeksen. Op dit portaal worden gegevens beschikbaar gesteld door de Vlaamse waterloopbeheerders en kennisinstituten. Ook de resultaten van het Internet of Water onderzoeksproject worden via deze weg beschikbaar gesteld. Het webportaal bevat o.a. meetgegevens van debiet, stroomsnelheid, waterstand, en waterkwaliteit (pH, watertemperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof, …). Voor debieten worden er kwantiel waarden berekend, maar geen Q10 waarde. Deze zal door de aanvrager zelf uit de meetreeksen afgeleid moeten worden.

  • Geoloket stroomgebiedbeheerplannen is raadpleegbaar via https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/geoloket/geoloket-stroomgebiedbe…. Op dit webportaal wordt voor ieder waterlichaam van orde VL en L1 (zie §2.3.1) de beoordeling van de gevaarlijke stoffen, specifiek verontreinigende stoffen, biologische elementen en biologie ondersteunende fysisch-chemische elementen zoals pH, watertemperatuur, conductiviteit, opgeloste zuurstof, fosfor, stikstof en temperatuur weergegeven. 

De publieke databanken zijn onvoldoende om voor ieder project/plan/programma een beeld te schetsen van de actuele aanwezigheid van de te lozen eutrofiërende stoffen in het oppervlaktewater. Zeker voor de kleinere waterlopen, van orde L2, zijn in de meeste situaties geen debietsgegevens noch waterkwaliteitsgegevens beschikbaar. Ook voor grotere waterlopen is de set aan gemeten parameters beperkt. Zie 4.1.3 Nieuwe lokale meetgegevens.

Het kan ook interessant zijn om de terreinbeheerder (van het SBZ-gebied) te contacteren, om bijvoorbeeld na te gaan of er nog recente onderzoeken gebeurden die niet op de publieke databanken staan of andere relevante lokale kennis te vergaren.

Merk ook op dat voor de bepaling van de actuele waterkwaliteit in het onderzoekgebied de meetreeksen aan bovenstaand vermelde minimum criteria rond locatie en frequentie van de metingen moeten voldoen.

4.1.2 Modelberekeningen

Wanneer er geen gegevens beschikbaar zijn kan gebruik gemaakt worden van gemodelleerde debieten, concentraties of vrachten. De modeldata moeten aan volgende minimum eisen voldoen:

  • Documentatie over de achterliggende modelprocessen voor de berekening van debiet en concentraties moet beschikbaar zijn;

  • Het model moet grondig gekalibreerd en gevalideerd zijn op basis van terreinmetingen; en 

  • Het model moet betrouwbare resultaten leveren binnen het bekken waar het onderzoeksgebied zich situeert.

Voor de grotere waterlopen van orde VL en L1 kunnen modeldata verkregen worden uit modellen die door de waterloopbeheerders worden gegenereerd (VMM en provincies). De voornaamste modellen zijn:

  • Pegase waterkwaliteitsmodel: Het Pegase model berekent de waterkwaliteit in de waterloop voor de zuurstofhuishouding en de nutriënten stikstof en fosfor. De invoergegevens voor dit model zijn onder andere de nutriëntenemissies uit de landbouw (NEMO model) en de lozingen vanuit huishoudens, waterzuiveringsinstallaties en industrie. De modeldata (enkel de debieten Q10 en Qgem) zijn beschikbaar via het VMM Geoloket Impactbeoordeling bedrijfsafvalwater. Ook informatie over de betrouwbaarheid van de gesimuleerde debieten voor de verschillende (deel)bekkens is beschikbaar via dit portaal. De gemodelleerde nutriëntenconcentraties en de betrouwbaarheid van deze simulaties moeten rechtstreeks opgevraagd worden bij de VMM.

  • Hydrodynamische waterloopmodellen: Met dit type modellen worden de debieten en waterstanden in rivieren gemodelleerd. Dit gebeurt voornamelijk vanuit vraagstukken m.b.t. wateroverlast en overstroming, maar kan ook worden toegepast voor bepaling van laagwaterdebieten. Er is geen algemeen overzicht van de Vlaamse waterlopen waarvoor reeds modellen opgesteld werden. Ook de toegang tot modeldata en achterliggende informatie betreffende de modelopbouw moet worden opgevraagd bij de VMM of de provincie afhankelijk van wie de waterloop beheert.

De foutenmarge is een aandachtspunt bij de beoordeling van de effecten. Naast de bestaande modellen kan er ook binnen het kader van de passende beoordeling een nieuw lokaal model worden opgesteld. Ook deze modellen dienen aan de bovenvermelde minimum eisen te voldoen.

4.1.3 Nieuwe lokale gegevens

Indien er geen lokale metingen of modelresultaten beschikbaar zijn moeten nieuwe metingen uitgevoerd worden. Het meetnet en de meetcampagne worden georganiseerd volgens de minimum eisen gesteld aan bestaande meetreeksen . De metingen worden uitgevoerd conform de normen van de Internationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO) en technische richtlijnen van het Compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

  • Debiet: ISO-748-2021 en ISO-TS-24154-2005 (Hydrometry rivers and open channels)
  • Concentraties: Compendium voor monsterneming en analyse in uitvoering van het Materialendecreet en het Bodemdecreet – Oppervlaktewater (CMA_1_A.11) (EMIS, 2021).

     

4.1.4 Default waarden

Voor het debiet kan er, bij gebrek aan gegevens, geopteerd worden om de worst-case default waarden van 4,18 m³/s (VL), 0,09 m³/s (L1), 0,01 m³/s (L2) te hanteren. Deze waarden zijn voor VL en L1 afgeleid uit de Pegase databank (VMM) als laagste Q10 waarde voor alle waterlopen van desbetreffende categorie. Voor L2 wordt de default Q10 waarde voor polderwaterlopen gehanteerd.

Voor concentraties en vrachten is het niet mogelijk een default waarde aan te nemen en zullen er bij gebrek aan gegevens steeds lokale metingen moeten worden uitgevoerd.

4.2 Boordeling actuele milieudruk 

De beoordeling gebeurt op basis van de reeds aanwezige concentraties aan de te lozen stoffen in het onderzoeksgebied, ter hoogte van de SBZ, verzameld in stap 4.1. Er wordt voor elke waterkwaliteitsparameter nagegaan of de concentratie in het onderzoeksgebied onder de grens-/referentiewaarde van de habitat ligt. De grens-/referentiewaarden waaraan de actuele concentraties worden afgetoetst worden besproken in 2.4 referentiewaarden en stap 3 oppervlaktewaterafhankelijkheid.

De actuele waterkwaliteit wordt per (te lozen) stof of parameter beoordeeld. 

✔ Voeg een kaart toe met daarop de relevante meetpunten. Voeg ook een tabel toe met de meetwaarden voor de parameters waar de lozing effect op heeft alsook het debiet van de waterloop. Combineer deze tabel met de tabel uit stap 3 om voor elke parameter de beoordeling van de actuele milieudruk weer te geven.

Onderstaand wordt een voorbeeld gegeven van de gevraagde tabel:

tabel2

Stap 5 Impact gepland initiatief

5.1 Worst case 

Er wordt voor elke stof nagegaan in welke mate de lozing bijdraagt aan de milieudruk onder worst case omstandigheden. Daartoe worden onderstaande waarden berekend voor elke geloosde stof. Onderstaande formule is gebaseerd op de formule die binnen stap 4 van de Wezer-toets wordt gehanteerd. De relatieve bijdrage (Brel) van de lozing aan de grens- of referentiewaarde is (mogelijks) relevant in stap 6 van voorliggende wegwijzer, bij de selectie van de potentieel risicovolle stoffen of daaraan gerelateerde parameters.

Totale concentratie in toekomstig vergunde toestand, na lozing van de stof:

  • Nieuwe vergunning:     

  • Hervergunning:     

Absolute bijdrage van de lozing van de stof (Babs):

  • Nieuwe vergunning:     
  • Hervergunning:           

Relatieve bijdrage van de lozing van de stof aan de referentiewaarde (Brel):

      

Met in bovenstaande formules:

Qlmax  = maximaal dagdebiet van de geplande lozing (l)

Qw10  = 10-percentiel dagdebiet in de ontvangende waterloop (w) (zie praktische wegwijzer stap 4)

Clmax  = maximale concentratie van de stof in de geplande lozing (l) 

Cbt  = bestaande toestand - concentratie van de stof in het ontvangende waterlichaam (zie praktische wegwijzer stap 4)

Cttw  = toekomstige toestand (worst case) - concentratie van de stof in het ontvangende waterlichaam binnen het onderzoeksgebied

C0 = concentratie van de stof in het ontvangende waterlichaam zonder de actueel vergunde lozing. Bv: meetpunt stroomopwaarts van de lozing (zie praktische wegwijzer stap 4)

Cref = grens- of referentiewaarde van de stof voor het meest gevoelige habitat binnen het onderzoeksgebied (zie praktische wegwijzer stap 2 en 3). Indien er voor een stof zowel een maximale als een jaargemiddelde grens- of referentiewaarde is, wordt rekening gehouden met het jaargemiddelde (worst case)

 

✔ Voeg onderstaande overzichtstabel toe om de impact voor elke te lozen stof weer te geven. 

gegevens worst case impact

*C0 voor een hervergunning, Cbt voor een nieuwe lozing.

 

5.2 Acute en chronische impact

Voor de potentieel risicovolle stoffen (zie stap 6 praktische wegwijzer) wordt de acute en chronische impact bepaald. Voor de acute impact wordt er gerekend met de maximale waarden, voor de chronische impact met gemiddelden (zie tabel stap 6 van de Wezer-toets.). De focus binnen de passende beoordeling ligt op het aftoetsen van de impact op basis van habitatspecifieke grens-  of referentiewaarden (zie stap 3 praktische wegwijzer). 

De rekenwijze is identiek aan de voorgaande paragraaf 5.1, maar er wordt vertrokken van meer realistische uitgangsgegevens. Bv: indien de grens- of referentiewaarde een jaargemiddelde, mediaan en zomerhalfjaargemiddelde betreft mag er gerekend worden met het gemiddeld afvoerdebiet van de waterloop. Voor 90%iel en maximale grens- of referentiewaarden blijft het laagwaterdebiet (10%iel debiet) behouden. 

Bepaal de totale concentratie stroomafwaarts in toekomstig vergunde toestand ter hoogte van de gevoelige habitats zowel acuut (Ctta) ,als chronisch (Cttc). Voeg net als bij stap 5.1 een overzichtstabel toe van de relevante data. 

5.3 Aandachtpunten

Aandachtspunt 1: ruimtelijke variatie

In realiteit zullen de concentraties van de geloosde stoffen en dus ook de impact op de habitats variëren binnen het onderzoeksgebied. De concentraties en bijdragen berekend volgens bovenstaande formules zijn een uniforme worst-case  waarde voor het hele onderzoeksgebied. Mits voldoende onderbouwing kan de aanvrager afwijken van deze worst-case aanname en het ruimtelijk aspect inbrengen in de berekening van de directe effecten.

Aandachtspunt 2: temporele variatie - accumulatie

Doorheen de tijd kunnen stoffen accumuleren, waardoor de impact groter kan zijn dan verwacht puur gebaseerd op basis van de concentraties en bijdragen berekend volgens bovenstaande formules. Er wordt van de aanvrager verwacht dat hij aangeeft in welke mate accumulatie van stoffen invloed zou kunnen hebben op de impact die wordt verwacht ter hoogte van de gevoelige habitats.

Aandachtspunt 3: chemische interacties

Met bovenstaande formules wordt de impact van elke stof afzonderlijk onderzocht. In realiteit ondergaan geloosde stoffen chemische reacties. Zo kan de temperatuur van het lozingswater de chemische beschikbaarheid van elementen bepalen en kunnen stoffen binden met bodempartikels in de waterloop waardoor hun beschikbaarheid voor de vegetatie beïnvloed wordt. Er wordt van de aanvrager verwacht dat hij aangeeft op welke manier cumulatieve effecten een rol kunnen spelen op de impact die wordt verwacht t.h.v. de gevoelige habitats.

Aandachtspunt 4: interactie oppervlaktewater - grondwater

Binnen voorliggende praktische wegwijzer ligt de focus op het milieucompartiment oppervlaktewater. Bijkomend dient ook de aandacht gevestigd te worden op secundaire effecten zoals de impact op het ondiep grondwater. Hiervoor wordt eveneens verwezen naar de praktische wegwijzer ‘wijziging hydrologie’.  

Stap 6 Betekenisvol effect


6.1 HABITAT - TYPE 1


Binnen deze stap is het belangrijk om de kwetsbaarheid van de ontvangende waterloop na te gaan en de toekomstige concentratie te toetsen aan de grens- of referentiewaarde. 

 

6.1.1 Bepaling kwetsbaarheid ontvangende waterloop

Een lozing op een kwetsbare waterloop binnen of in directe verbinding met SBZ dient met de nodige voorzichtigheid te worden geëvalueerd. 

De kwetsbaarheid van de waterlopen binnen het onderzoeksgebied wordt geëvalueerd via drie, en ingeval van riool overstorten vier, verschillende beoordelingskaders:

  • ecologische kwetsbaarheid ikv droogte
  • ecologische kwetsbaarheid ikv riool overstorten*
  • laagwaterdebiet van de ontvangende waterloop 
  • aanwezigheid van (stromend aquatisch) habitattype 3260 binnen het onderzoeksgebied 

De tabel hieronder geeft weer wat, per beoordelingskader, als waarschuwingssignaal voor een kwetsbare toestand beschouwd kan worden (oranje). 



schema

* Enkel van toepassing indien de lozing een riool overstort is

** Ondiepe beken en rivieren met goede structuur en watervegetaties

6.1.1.1 Droogte

In kader van het instellen van permanente of tijdelijke onttrekkingsverboden is door de CIW de ecologische kwetsbaarheid van onbevaarbare waterlopen voor droogte bepaald. De ecologische kwetsbaarheid voor droogte van de waterlopen binnen het onderzoeksgebied worden geëvalueerd aan de hand van deze ecologische kwetsbaarheid ikv droogte.

De onbevaarbare waterlopen (zie §2.3.1) werden daartoe onderverdeeld volgens typologie en ecologische kwetsbaarheid op basis van voorkomen van kwetsbare vissoorten (beekprik, rivierdonderpad, grote modderkruiper, serpeling, kopvoorn, kwabaal) en habitat 3260 (beken en rivieren met goede structuur en watervegetaties). Het afwegingskader maakt op vlak van kwetsbaarheid onderscheid tussen: 

  • ecologisch zeer kwetsbare
  • ecologisch kwetsbare
  • ecologisch minder kwetsbare waterlopen

en op vlak van waterlooptype tussen:

  • kleine beken (incl bronbeken)
  • grote beken
  • kleine/grote/zeer grote rivieren
  • kunstmatige waterlopen in vlakke gebieden (polderwaterlopen)

Voor de ecologisch zeer kwetsbare kleine beken (en alles stroomopwaarts er van) wordt standaard een permanent onttrekkingsverbod geadviseerd omwille van de zeer lage debieten. De kwetsbaarheidskaart voor droogte wordt binnenkort online beschikbaar besteld. De classificatie van de waterlopen volgens ecologische kwetsbaarheid kan hier geraadpleegd worden. 

6.1.1.2 Riool overstorten

Indien het om een riool overstort gaat is het beoordelingskader voor ecologische kwetsbaarheid ikv riool overstorten van toepassing.

De aanduiding van de ecologische kwetsbaarheid van de waterloop is gebaseerd op, de door de Vlaamse regering goedgekeurde, gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen (S-IHD). De focus van de kwetsbaarheidskaart riool overstorten ligt op de kwetsbaarheid van de waterkolom en het waterecosysteem in de bedding. De kwetsbaarheidskaart maakt een onderscheid tussen: 

  • ecologische uiterst kwetsbare waterlopen
  • ecologisch kwetsbare waterlopen
  • ecologisch strategisch belangrijke waterlopen
  • overige waterlopen

Enkel op die laatste categorie waterlopen kunnen nieuwe overstorten geplaatst worden, voor alle overige waterlopen wordt een stand-still principe gehanteerd tenzij er wordt aangetoond dat een nieuw overstort geen significant effect op de habitatkwaliteit zal hebben. De kwetsbaarheidskaart wordt beschikbaar gesteld via de CIW website.

6.1.1.3 Laagwater debiet

Indien het Q10 debiet van de ontvangende waterloop (zie stap 4) binnen het onderzoeksgebied lager is dan 0,01 m³/s dan wordt een lozing als risicovol beschouwd. Het gaat hierbij om bronbeken of grachten met uitzonderlijk lage debieten waarbij elke lozing als significant wordt beschouwd.

6.1.1.4 Habitattype 3260

Habitattype 3260 –beken en rivieren met goede structuur en watervegetaties – is een aquatisch habitattype van stromende wateren en daarom prioritair binnen voorliggende praktische wegwijzer. De huidige staat van instandhouding van dit habitattype is zeer ongunstig in Vlaanderen (Paelinckx et al., 2019) . Dit habitat staat onder druk van overexploitatie, klimaatverandering, verontreiniging, aanpassing van het hydrologisch regime en invasie van exotische soorten (Bassem, 2020). De aanwezigheid van habitattype 3260 binnen het onderzoeksgebied is vastgesteld in stap 2. 

In bepaalde S-IHD besluiten zijn doelstellingen gedefinieerd die verband houden met (het verbeteren van) de oppervlaktewaterkwaliteit. Overlap van het onderzoeksgebied met een van deze gebieden dient evenals met de nodige voorzichtigheid te worden geëvalueerd. 

✔ Voeg een overzicht toe aan de passende beoordeling met de beoordeling van kwetsbaarheid van de waterlichamen binnen het onderzoeksgebied volgens de hierboven vermelde beoordelingskaders. 

 

6.1.2 Selectie stoffen/parameters

Indien er in stap 6.1.1 minimaal één waarschuwingssignaal van toepassing is, zal er geen ondergrens gehanteerd kunnen worden bij selectie van de stoffen/parameters die verder onderzocht moeten worden. Enkel lozingen die geen (bijkomende) overschrijding van de referentiewaarde (Ctt ≤ Cref) impliceren, kunnen als niet significant worden beschouwd. Voor de overige lozingen dient te worden overgegaan naar stap 6.1.3. 

Indien er in stap 6.1.1 geen waarschuwingssignaal wordt getriggerd dan kan de ondergrens van 10% bijdrage aan de grens- of referentiewaarde worden gehanteerd, conform de Wezer-toets. Enkel de stoffen die  10% of meer bijdragen aan de grens- of referentiewaarde (Brel ≥ 10%), dienen aan bod te komen in stap 6.1.3. 

 

6.1.3 Beoordeling effect

Voor elke lozing waarvan de impact mogelijk significant is (zie stap 6.1.2), wordt verder geëvalueerd of deze een betekenisvol effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het SBZ en of milderende maatregelen zijn aangewezen. 

Binnen de passende beoordeling wordt er een onderscheid gemaakt tussen gunstige en ongunstige staat van instandhouding. De grens tussen beide wordt aangegeven door grenswaarden. Indien er geen grenswaarden beschikbaar zijn wordt er gebruik gemaakt van referentiewaarden (zie inleiding HT 4). De focus binnen de passende beoordeling ligt op het aftoetsen van de impact op basis van habitatspecifieke grens-  of referentiewaarden. Hierbij wordt er voor de fysisch-chemische parameters geen verdere graduele onderverdeling gemaakt zoals het geval is binnen de Kaderrichtlijn Water (zie inleiding HT 4.1). 

In stap 5.2 zijn zowel de acute als chronische impact van de potentieel risicovolle stoffen berekend. Reikt de impact (acuut of chronisch) tot in een SBZ dan moet worden nagegaan of de concentratie in de ontvangende waterloop (Ctta of Cttc) de grens- of referentiewaarde voor desbetreffende stof of parameter (Cref) ter hoogte van het gevoelige habitat wordt overschreden. Voor de acute impact wordt er afgetoetst aan een maximale waarde (Cref-max), voor de chronische impact aan een (jaar)gemiddelde (Cref-gem). Indien de grens- of referentiewaarde wordt overschreden ter hoogte van het habitat zullen milderende maatregelen kunnen worden toegepast, of zal in bepaalde situaties een aanpassing aan het project noodzakelijk zijn. 

schema

Via deze link wordt een uitgebreid overzicht gegeven per situaties: nieuwe vergunning en hervergunning (met/zonder wijziging). 


6.2 HABITAT - TYPE 2 en 3


Voor habitats die gevoelig zijn voor eutrofiëring en zich situeren binnen overstromingsgebied (zie stap 3 praktische wegwijzer) moet worden nagaan wat de actuele milieudruk is (zie praktische wegwijzer stap 4). 

  • Indien er reeds verhoogde concentraties aanwezig zijn van de te lozen stof(fen) in of nabij de habitats wordt de actuele milieudruk als slecht beschouwd. Er worden geen projecten/plannen/programma’s toegelaten die leiden tot bijkomende eutrofiëring ter hoogte van deze habitats. Dit is in lijn met de instandhoudingsdoelstellingen die stellen dat de bestaande situatie enkel mag verbeteren (of behouden moet blijven, stand-still principe). 

  • Indien de actuele milieudruk goed is, mag het project/plan/programma geen eutrofiërend effect induceren (bv: grens- of referentiewaarden overschrijden). 

Indien de betrokken habitat optimaal kan voorkomen bij overstroming met nutriëntenrijk water (score 2 voor de natuurtypes, cf. tabel 4-14 van De Nocker et al., 2007; zie bijlage 4 praktische wegwijzer) of niet gevoelig is voor aanrijking door overstroming met nutriëntenrijk water (score 1 voor de bostypes, cf. Tabel 4-20 van De Nocker et al., 2007; zie bijlage 4 praktische wegwijzer), kan gesteld worden dat de gunstige staat van instandhouding niet in het gedrang komt door het project/plan/programma en het effect niet significant is. Er zijn geen milderende maatregelen noodzakelijk.

Indien de betrokken habitat (semi-)tolerant is (score 0 of score 1 voor de natuurtypes, cf. Tabel 4-14 van De Nocker et al., 2007; zie bijlage 4 praktische wegwijzer) of matig- tot niet gevoelig (score 1 of score 2 voor de bostypes, cf. Tabel 4-20 van De Nocker et al., 2007; zie bijlage 4 praktische wegwijzer) is er mogelijks een significant effect. In dat geval dient de accumuleerbaarheid in rekening gebracht te worden en hoe ver de stoffen getransporteerd worden voor ze neerdalen/binden17. Afhankelijk daarvan kan dan geoordeeld worden of er een significant effect verwacht wordt ter hoogte van het habitat en of de doelstellingen van het SBZ-gebied in het gedrang komen.


17 Immobilisatie van de eutrofiërende stoffen door kationen werd reeds eerder in deze wegwijzer aangehaald. Voor habitattypes 2 en 3 bestaat hierdoor de kans dat in slib geïmmobiliseerde nutriënten bij piekneerslag met het slib worden meegevoerd en afgezet op overstromende beekdalgraslanden, waar vervolgens na redoxreacties een vrijstelling van onder meer fosfaten en sulfaten kan optreden.

Milderende maatregelen

Er zijn veel voorbeelden van mogelijke milderende maatregelen. De opties dienen specifiek per dossier bekeken te worden. 

Een brongerichte aanpak rond watergebruik is zeer belangrijk. Enkele voorbeelden zijn bijvoorbeeld optimalisatie van het productieproces met waterhergebruik (ter reductie bv. van zoutlozingen bij kaasproductie) of het opzetten van een circulair systeem, waarbij afvalwater volledig gezuiverd en hergebruikt wordt. In de ontwerpfase van een nieuw of gewijzigd productieproces of bijkomende afvalwaterinfrastructuur dient maximaal ingezet te worden op het beperken van emissies (keuze van de juiste procestechnologieën) en maximaal concentreren van deze emissies.

BBT-studies (beste beschikbare technieken) per bedrijfssector bundelen informatie van technieken voor het behalen van de sectorale vergunningsvoorwaarden. Enkele voorbeelden zijn KWS-afscheiders, bezinkputten of rietvelden voor verwijdering van zwevende stoffen, zuiveringsinstallaties, …

Indien het afvalwater in kwestie een hoge belading met zwevende stoffen heeft, is het aanbevolen om deze fractie aan zwevende stoffen te verminderen door zuivering. Andere eutrofiërende of verontreinigende stoffen hebben een sterke neiging om zich te hechten aan de zwevende stoffen en kunnen dus op die manier mee verwijderd worden.

Voor het verder reduceren van eutrofiërende of verontreinigende stoffen zijn bijkomende, specifieke stappen in het zuiveringsproces mogelijk nodig. Voorbeelden zijn:

  • Nitrificatie/denitrificatie voor afvalwaters met een hoge stikstofbelading
  • Chemische fosfaatprecipitatie
  • Koolwaterstof (KWS) afscheider voor afvalwaters met oliën en vetten
  • Zandfilter voor bijkomende verwijdering van zwevende stoffen na een eerste zuiveringsstap (bv. bezinkingsbekken,…)
  • Actief koolfilters voor specifieke verontreinigende stoffen

Heel wat kennis en overzichten zijn online terug te vinden:

  • WAterzuiveringsSelectieSysteem (WASS): een beslissingsondersteunend instrument dat de overheid, de bedrijven en milieuadviesbureaus helpt bij het zoeken naar mogelijke combinaties van zuiveringstechnieken om een bepaald afvalwaterprobleem op te lossen (BBT-kenniscentrum Emis Vito). Er wordt een uitgebreid overzicht gemaakt van de technieken, met beschrijvingen, voor-en nadelen, toepassingen, randvoorwaarden, milieuaspecten, kosten, …
  • Een Waterhandboek voor de Vlaamse industrie opgesteld in kader van het KO-Water project (Kosten-efficiënt Opwaarderen van Waterbronnen)

Specifiek voor landbouwbedrijven is er meer informatie beschikbaar op volgende websites: 

Mogelijkheden voor de behandeling van overstort water zijn onder meer:

  • bezinktanks
  • biologische zuivering (helofyten in wetlands)
  • horizontale roosters
  • industriële technieken zoals filters, drums, beluchters, …

Bij bepaalde projecten worden milderende maatregelen reeds opgenomen in de ontwerpfase van het project. In dat geval zijn deze maatregelen geïntegreerd in het project en de effectbepaling ervan en worden dus niet afzonderlijk begroot als milderende maatregel.

Enkel als er daar bovenop nog extra milderende maatregelen voorgesteld worden, zijn afzonderlijke berekeningen noodzakelijk en worden de verschillende scenario’s (met en zonder milderende maatregelen) met elkaar vergeleken. Hun effect wordt op dezelfde wijze in beeld gebracht als dat van het project zonder de mildering.

Monitoring

In het kader van de uitvoering van een vergunning kan in specifieke situaties op vraag van ANB monitoring opgenomen worden. 

Aangezien deze praktische wegwijzer enkel handelt over de habitattypes en niet over soorten, wordt er niet verder ingegaan op het opvolgen van de habitatontwikkeling met soortgerichte monitoring. 

Het monitoren van het effluent van RWZI’s en bepaalde bedrijven gebeurt momenteel reeds door de VMM. 

Indien bijkomende monitoring wordt opgenomen zal rekening gehouden worden met de haalbaarheid en betaalbaarheid van deze metingen. 

Er wordt verwacht dat de opgelegde milderende maatregelen uitgevoerd worden en doeltreffend zijn. Hiertoe is een goede opvolging van de werking van de installaties vereist (datalogging). Bij sommige installaties zijn bij installatie onderhoudscontracten opgenomen om de efficiëntie van het systeem te garanderen. 

Bij (nieuwe) overstorten kan een digitale monitoring van de werking van het overstort opgelegd worden. 

Monitoring inzake trends en bereiken van instandhoudingsdoelstellingen gebeurt in opdracht van de Vlaamse overheid en is dus niet gekoppeld aan een vergunning.

 

Voorbeeld

In deze praktische wegwijzer is geen voorbeeld uitgewerkt.

Referenties

Bassem SM. Water pollution and aquatic biodiversity. Biodiversity Int J. 2020;4(1):10-16. DOI: 10.15406/bij.2020.04.00159

CIW, 2019. Technische toelichting bij code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen. Deel 7: overstortemmissies.

De Nocker L., Joris I., Janssen L., Smolders R., Van Roy D., Vandecasteele B., Meiresonne L., Van der Aa B., De Vos B., De Keersmaeker L., Vandekerkhove K., Gerard M., Backx H., Van Ballaer B., van Hove D., Meire P., Van Huylenbroeck G. & Bervoets K. (2007). Multifunctionaliteit van overstromingsgebieden: wetenschappelijke bepaling van de impact van waterberging op natuur, bos en landbouw. Eindrapport. Studie uitgevoerd in opdracht van VMM: Vito, Mol. 2007/IMS/R/333. 259 p.

EMIS, 2021. Compendium voor monsterneming en analyse in uitvoering van het Materialendecreet en het Bodemdecreet – Oppervlaktewater (CMA_1_A.11)

Herr, C., Raman, M., Wouters, J., Decleer, K., De Keersmaeker, L., Denys, L., Vanderhaeghe, F., & Van Calster, H. (2021). Advies over de toepassing van ‘gunstige abiotische bereiken’ voor de vegetatieontwikkeling van habitatsubtypes in het natuurbeleid. (Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. INBO.A.4074). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. 

Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., & Paelinckx D. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura2000 habitattypen in Vlaanderen: versie 3.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.14061248

Paelinckx D., De Saeger S., Oosterlynck P., Vanden Borre J., Westra T., Denys L., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B. en Spanhove T. (2019). Regionale staat van instandhouding voor de habitattypen van de Habitatrichtlijn. Rapportageperiode 2013 - 2018. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2019 (13). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.16122667

Van Calster H., Cools N., De Keersmaeker L., Denys L., Herr C., Leyssen A., Provoost S., Vanderhaeghe F., Vandevoorde B., Wouters J. en M. Raman(2019). Gunstige abiotische bereiken voor vegetatietypes in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (44). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.19362510

VLM, 2022. Brochures Normen en Richtwaarden

Wouters, J., Denys, L., & Herr, C. (2022). Advies over de doorvertaling/validatie van de vegetatietypes uit De Nocker et al. (2007) naar Natura 2000-habitattypes. (Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. INBO.A.4416). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.