Show Menu Menu toggle Close toggle Show Menu Search toggle Close toggle
Vijver © Thierry de Coninck

Eutrofiëring via de lucht

Inleiding

1. Doel en status van de praktische wegwijzer

De lidstaten van de Europese Unie moeten streven naar het bereiken van een regionaal gunstige staat van instandhouding voor de Europees beschermde natuur, in uitvoering van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Hiertoe werden Speciale Beschermingszones (SBZ) gebakend. Om het bereiken van de regionaal gunstige staat niet te belemmeren (of te behouden indien deze reeds bereikt is), moet voorkomen worden dat plannen, projecten of programma's die niet nodig zijn voor het beheer van de SBZ, een significante impact (‘betekenisvolle aantasting’) hebben op deze gebieden. Daartoe wordt een passende beoordeling gemaakt van de effecten van dergelijke plannen, projecten of programma's.

Een praktische wegwijzer moet begrepen worden als de meest actuele leidraad voor het beoordelen van een effect op de (realisatie van de) instandhoudingsdoelstellingen (IHD) in de SBZ, meer bepaald de Habitatrichtlijngebieden (SBZ-H). Per effectgroep wordt een praktische wegwijzer uitgewerkt. 

Voorliggende praktische wegwijzer werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos. De eerste versie (2017) is opgesteld in overleg met thema-experten van de Vlaamse overheid (Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, Vlaamse Milieumaatschappij, Departement Omgeving - team MER, Vlaamse Landmaatschappij). Naar aanleiding van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen RvVb-A-2021-0697 (25/02/2021) is de praktische wegwijzer in 2021 herwerkt. 

Deze versie van de praktische wegwijzer wordt beschouwd als tijdelijk, in afwachting van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), en geldt vanaf oktober 2021. Voorliggende versie is conform de Ministeriële instructie KZD-13620 en bijhorende richtsnoeren, die zijn gepubliceerd op respectievelijk 2 en 10 mei 2021, naar aanleiding van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen RvVb-A-2021-0697. Meer informatie hierover kan u terugvinden op de webpagina stikstof

LEESWIJZER

In de tekst wordt over habitats gesproken. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling. Het kan hier gaan over: actuele habitats, tot doel gestelde habitats en/of voorlopige zoekzones. In stap 2 van het hoofdstuk -Link tussen ingreep en effect- wordt hier uitgebreider op ingegaan. 

Met een activiteit wordt steeds een vergunningsplichtige1 activiteit bedoeld. Het kan gaan om een project, plan of programma.  

Indien er wordt gesproken over een betekenisvolle aantasting of betekenisvol effect wordt hiermee bedoeld de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ zoals omschreven in artikel 36 ter §3 van het Natuurdecreet2. Voor uitgebreide toelichting bij deze wetgeving wordt verwezen naar de Omzendbrief passende beoordeling OMG/2017/01. De Ministeriële instructie (KZD-13620) van 2 mei 2021, betreffende de beoordeling van de stikstofuitstoot van vergunningsaanvragen, impliceert geen verdere toepassing van deel 4 van de Omzendbrief/OMG/2017/01. De overige onderdelen van de Omzendbrief/OMG/2017/01 kunnen in principe verder worden aangewend.
 


1 Definitie van ‘vergunningsplichtige activiteit’ volgens het Natuurdecreet, en als dusdanig vermeld in artikel 36ter§3 m.b.t. de figuur ‘Passende beoordeling’: een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is (Artikel 2, 46° van het Natuurdecreet).

In de betekenis van de definitie zoals omschreven in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (21/10/1997 artikel 2 30°: betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone).
 

2. Toepassingsveld van deze effectgroep

Deze praktische wegwijzer gaat in op effecten op de habitats die gevoelig zijn voor eutrofiëring ten gevolge van atmosferische depositie. Deze effectgroep moet beschouwd worden voor elke activiteit die kan leiden tot emissies van eutrofiërende stoffen via de lucht. Hieronder een korte beschrijving van het effect eutrofiëring:

Eutrofiëring is de toename, in absolute zin of in beschikbaarheid, van de hoeveelheid voedingsstoffen in het milieu. De voornaamste maar niet exclusieve eutrofiërende stoffen zijn fosfor (onder de vorm van fosfaten) en stikstof (onder de vorm van nitraten en ammoniumverbindingen). Eutrofiëring kan gebeuren via de lucht (bv. inwaai van voedingsstoffen, atmosferische stikstofdepositie), via de bodem (bv. via bemesting) en via het grond- of oppervlaktewater.

Eutrofiëring via de lucht is de toename van de hoeveelheid voedingsstoffen in het milieu door stoffen die zich via de lucht verspreiden. Voor het thema lucht wordt rekening gehouden met de emissies en eutrofiërende deposities van de polluenten stikstofoxides (NOx) en ammoniak (NH3).

Vaak gaat eutrofiëring gepaard met een wijziging in zuurtegraad, zie effectgroep verzuring via lucht. Beide effectgroepen moeten in dat geval bestudeerd worden.

3. De link tussen voortoets, passende beoordeling en project-MER

Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de passende beoordeling. De passende beoordeling gaat na of de (vergunde) activiteit leidt tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszones (SBZ). 

Het risico of de waarschijnlijkheid op een betekenisvolle aantasting kan onderzocht worden in een voortoets. Voor de effectgroep eutrofiëring via de lucht kan dit risico getoetst worden in de online applicatie voortoets (verder: voortoets-online-tool).

Is er via de voortoets-online-tool een indicatie dat er een risico of waarschijnlijkheid bestaat op een betekenisvolle aantasting van de habitats in een SBZ, dan is nader onderzoek aangewezen. 

In de voortoets-online-tool doorlopen we volgende stappen:

A. Waar vindt de ingreep plaats?
De aanvrager van de vergunning kan daartoe het projectgebied intekenen.

B. Om welke ingreep gaat het?
De aanvrager doorloopt een vragenlijst die de ingreep karakteriseert.

C. Welke effecten genereert ze?
Op basis van de projecteigenschappen of eigenschappen van het plan blijkt of er aanleiding kan zijn tot een effect.

D. Is er potentieel een negatieve impact?
Op basis van de projecteigenschappen wordt een afstand bepaald waarbinnen er mogelijks een impact is. Indien de impact reikt tot in een SBZ en overlapt met een habitat binnen dit SBZ, dat gevoelig is voor een bepaalde effectgroep, dan moet dit effect nader onderzocht worden. 

In een meer uitgewerkte passende beoordeling worden volgende stappen doorlopen:

E. Leidt de impact tot een betekenisvol effect, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten? 

F. Kan het effect vermeden worden door een wijziging van de uitvoeringsmethodiek en/of incorporatie van milderende maatregelen?

G. Welke opvolging is aangewezen omtrent de naleving van de voorwaarden?

In voorliggende praktische wegwijzer worden de stappen E, F en G toegelicht.

De voortoets-online-tool is in zijn huidige vorm beperkt en geeft geen volledige evaluatie op alle mogelijke effecten binnen Speciale Beschermingszones (SBZ). Hiermee dient rekening mee gehouden te worden bij de interpretatie van de rapportage van die voortoets-online-tool. Op zowel de startpagina als het rapport van de voortoets-online-tool kan u een overzicht terugvinden van de effecten die actueel worden getoetst. 

De uitspraak in het rapport van de voortoets-online-tool slaat dan ook alleen op de effecten die deze tool heeft kunnen nagaan. Er wordt op dit moment via de tool alleen getoetst aan tot doel gestelde Europees te beschermen habitats en niet aan soorten die vallen onder de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Bovendien doet de voortoets-online-tool enkel uitspraak over de project-eigen effecten. Het is aan de initiatiefnemer om de impact van zowel cumulatieve effecten als de niet-getoetste effectgroepen op zowel habitats als Europees beschermde soorten na te gaan en te beoordelen. 

Schema passende beoordeling eutrofiëring via lucht

3 De effectgroep eutrofiëring via de lucht maakt deel uit van de voortoets-online-tool.
Conform het arrest RvVb-A-2021-0697 wordt bij de bepaling van de minimis-drempel voor stikstof(depositie) rekening gehouden met de  cumulatieve impact (meer info zie Ministeriële instructie). 

Indien de meer uitgewerkte passende beoordeling aangeeft dat er een betekenisvolle aantasting te verwachten is, dan kan de bevoegde overheid geen toestemming geven voor de geplande activiteit. Deze praktische wegwijzer behandelt niet de uitzonderingsprocedure welke gevolgd dient te worden om een activiteit toch te laten doorgaan, ook al zijn er negatieve effecten te verwachten. Het alternatievenonderzoek, de dwingende reden van groot openbaar belang en de compensatie komen in deze wegwijzer dus niet aan bod. 

Project-MER
De voortoets-online-tool richt zich in hoofdzaak naar ‘gemiddelde en vaak voorkomende activiteiten’ in of in de buurt van Speciale Beschermingszones (SBZ) van het Natura2000-netwerk. 

De initiatiefnemer moet de voortoets-online-tool zelf kunnen uitvoeren. Daarom is zorgvuldig gelet op het laagdrempelig en toegankelijk karakter van de tool. 

Een milieueffectrapport (MER) daarentegen wordt door erkende deskundigen opgesteld binnen een vooraf bepaald traject. De expert dient het MER-plichtig project met op maat ontworpen beoordelingsprocedures te bekijken. De voortoets-online-tool focust op kleinschalige activiteiten en hanteert (mogelijks) andere criteria dan de MER-richtlijnen. De voortoets-online-tool kan bijgevolg geen uitspraak doen over de impact van MER-plichtige projecten. Het wordt aanbevolen om bij elke MER een passende beoordeling toe te voegen. 
 

Duurzame instandhouding

1. Algemeen

De Habitatrichtlijn vraagt om de potentiële effecten van activiteiten te toetsen aan de gunstige staat van instandhouding. Het Natuurdecreet vraagt om te toetsen aan de natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszones (SBZ). Hieronder vallen: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende SBZ is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III bij het Natuurdecreet.

Dit betekent dat ook de standplaatsfactoren op orde moeten worden gebracht, opdat de gunstige staat kan worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld: de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem of grondwater, etc. Voor de effectbeoordeling van activiteiten, net als voor het bepalen van het beleid tot voorkoming van verslechtering van de habitats en tot behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de kwaliteit van de ecologische standplaatsvereisten, uitgedrukt in grenswaarden, een belangrijke indicator.

De ecologische standplaatsvereisten van een habitattype kunnen gekoppeld worden aan de staat van instandhouding (gunstig of ongunstig). De grens tussen gunstig of ongunstig is per standplaatsvereiste de grenswaarde. Een gunstig abiotisch bereik is het globale meetbereik van een milieuvariabele waarbinnen een habitattype duurzaam kan functioneren. De grenzen van dit bereik zijn de grenswaarden.

In onderstaande figuur wordt uitdrukking gegeven aan de relatie tussen de staat van instandhouding en de grenswaarden.
 

figuur grenswaarden

In de effectenanalyse kan berekend worden in hoeverre de abiotische randvoorwaarde wijzigt. Om deze wijziging te kunnen beoordelen, wordt er getoetst aan de grenswaarde.

De huidige milieudruk bepaalt mee de staat van instandhouding van een habitat. Op basis van de grenswaarden voor de ecologische standplaatsvereisten van een habitat, kan dan bepaald worden wat de impact is van de huidige milieudruk en de (bijkomende) milieudruk van te vergunnen activiteiten. Er kan nagegaan worden welke marge er is om bijkomende milieudruk toe te laten.

De grenswaarde is, op basis van deze redenering, de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte of volume voor een bepaald habitattype of leefgebied zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn en/of het behoud/herstel naar de beoogde gunstige lokale staat van instandhouding gehypothekeerd wordt.
 

2. Grenswaarden qua gevoeligheid van een habitat voor eutrofiëring via lucht

2.1 Gevolgen van eutrofiëring en verzuring

Voor we stilstaan bij de kwantificering van de gevoeligheid van een habitat voor eutrofiëring, duiden we graag de problematiek en zijn relatie tot de verwante effectgroep verzuring.

Stikstof is een essentiële voedingsstof voor planten. Door natuurlijke processen komt stikstof vrij onder meer uit organisch materiaal. Door antropogene aanvoer van stikstof in vegetaties, kan er een overmaat aan stikstof in het milieu ontstaan en leiden tot een verstoring van het natuurlijk evenwicht in ecosystemen. Stikstofverbindingen die in de lucht geëmitteerd worden, komen via depositie terecht op de bodem en op vegetaties. De depositie van stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en ammoniumverbindingen (NHx) heeft zowel een vermestend als een verzurend effect.

emissies, concentratie, depositie

Vermesting of eutrofiëring ontstaat door een onevenwicht in de beschikbaarheid van plantopneembare nutriënten. De effecten hiervan zijn divers. Het gaat om onder meer een verhoogde biomassaproductie en een dominantie van meer competitieve plantensoorten die snel reageren op deze stikstoftoename ten nadele van minder competitieve soorten die gebonden zijn aan voedselarme standplaatsen. Een typisch gevolg van eutrofiëring is vergrassing en verruiging. In oppervlaktewatersystemen leidt eutrofiëring tot een snelle aangroei van algenpopulaties. De belangrijkste eutrofiërende componenten zijn NOx en NH3.

De emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) geven aanleiding tot verzurende deposities. Door verzuring van de bovenste bodemlagen wijzigt o.a. de relatieve plantbeschikbaarheid van verschillende voedingselementen (Ca2+, Mg2+, K+) en neemt het risico op aluminiumtoxiciteit toe, waardoor het bodemmilieu ongeschikt wordt voor verzuringsgevoelige (planten)soorten. 

Voor een omvattende beschrijving van de eutrofiërings- en verzuringsproblematiek in Vlaanderen door atmosferische depositie, verwijzen we naar de website van de VMM.

In voorliggende praktische wegwijzer gaan we enkel in op het eutrofiërend effect van stikstofdepositie. Verder in de tekst wordt als synoniem soms ook over vermesting gesproken.
 

2.2 Relatie tot een duurzame instandhouding

In Nederland zijn er onderzoeksinspanningen geleverd om de internationaal beschikbare kennis rond kritische depositiewaarden (KDW) te koppelen aan de duurzame instandhouding van de habitattypen uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn (Van Dobben et al. 2012; De Vries et al. 2007; Bobbink & Hettelingh 2011). 

De KDW wordt hierbij gedefinieerd als de grens, waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast door eutrofiërende (of verzurende) invloed van atmosferische stikstofdepositie (van Dobben et al. 2012). Indien de KDW van een habitat niet is overschreden, dan zal een habitat voor deze verstoringsfactor geen negatieve impact ondervinden.

De KDW is bijgevolg een belangrijke indicator om het effect van de eutrofiërende depositie te beoordelen in relatie tot de duurzame instandhouding van habitattypen. 
 

2.3 Grenswaarden voor eutrofiëring via lucht binnen het Vlaams Natura 2000-beleid

Voor stikstofdepositie volgt uit de internationaal gehanteerde definitie van het concept kritische depositiewaarden (zie hoger), dat de KDW in het IHD-beleid als grenswaarde moeten gehanteerd worden.

Op basis van de informatie uit de Nederlandse studies werd door het INBO een analyse uitgevoerd of deze KDW gebruikt kunnen worden in Vlaanderen (Hens M., Neirynck J., 2013).

⇒ Meer info: Kritische depositiewaarden voor stikstof voor duurzame instandhouding van Europese habitattypen in Vlaanderen (Hens M., Neirynck J., 2013)

Uit de analyse van het INBO blijkt dat, om op korte termijn habitattype-specifieke KDW voor eutrofiëring vast te stellen, de Nederlandse KDW  (van Dobben et al. 2012) kunnen gehanteerd worden als basis voor toepassing in Vlaanderen. 

De lijst met KDW voor Nederlandse habitatsubtypes is vertaald naar de KDW-eutrofiëring voor de Vlaamse habitatsubtypes en bevat een verduidelijking van de Nederlandse ranges in KDW. Voor de vijf habitatsubtypes die niet in Nederland voorkomen is een waarde vastgesteld op basis van gelijkaardige standplaatsen van habitats.

De KDW voor eutrofiëring wordt uitgedrukt in kilogram stikstof per hectare per jaar.

Overzicht KDW voor eutrofiëring voor Vlaamse Natura 2000-habitattypen

Deze set heeft het voordeel dat:

  • Ze met een internationaal gereviewde en erkende methodologie tot stand is gekomen;
  • Ze internationaal beschouwd wordt als de beste beschikbare methode om bestaande kennis m.b.t. KDW om te zetten naar een habitattype specifieke set KDW; en
  • Er met betrekking tot de grensoverschrijdende problematiek van stikstofemissie en –depositie gewerkt kan worden met eenzelfde maatstaf inzake stikstofgevoeligheid van Natura 2000 habitattypen.

De KDW worden gebruikt voor de afweging van effecten ten gevolge van eutrofiërende emissies van verschillende bronnen (landbouw, industrie, transport).

Stap 1 Afbakening onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied voor stikstofdeposities, afkomstig van emissies van de vergunde activiteit, betreft een zone met straal 20 km rond om het projectgebied.

Een verdere verfijning van het onderzoeksgebied is mogelijk door het onderzoeksgebied van de voortoets-online-tool over te nemen. Het onderzoeksgebied van de voortoets-online-tool kan op zijn beurt verder verfijnd worden door de verschillende ingrepen in het projectgebied geografisch te lokaliseren. Dit omvat onder meer de specifieke aanduiding van infrastructuur.
 

Stap 2 Lokalisatie habitats

Een habitat is een levensgemeenschap van planten en dieren met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken. In Vlaanderen zijn er 48 verschillende habitattypes (zie bijlage I van het Natuurdecreet). 

Net zoals bij de voortoets wordt nagegaan welke habitats er voorkomen binnen het onderzoeksgebied en waarop een eventueel effect moet onderzocht worden. Het is hierbij van belang om zowel actuele als de potentiële habitats in rekening te brengen. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling. Het kan hier gaan over: 

  • de actueel voorkomende habitats
  • de doelen onder passend beheer: locaties waar reeds instandhoudingsdoelstellingen voor habitats ruimtelijk geplaatst en vastgelegd zijn in goedgekeurde natuurbeheerplannen of daarmee vergelijkbare overeenkomsten; en
  • de voorlopige zoekzones: zones die gevrijwaard worden per habitat met het oog op het optimaal plaatsen in de toekomst van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken SBZ. 

De ruimtelijke gegevens zijn beschikbaar op Geopunt als shapefile:

⇒ de ‘Natura 2000 Habitatkaart’ is de referentie voor de actueel voorkomende habitats, al dan niet gecorrigeerd o.b.v. terreinwaarnemingen. 

⇒ de ‘Voorlopige zoekzones instandhoudingsdoelen Natura 2000 versie 2’ bevat:
         o de voorlopige zoekzones; en
         o de doelen onder passend beheer.

Combineer stap 1 en stap 2 om tot volgend resultaat te komen:

✔  Voeg een kaart toe aan de passende beoordeling met daarop de locatie van de activiteit en visualiseer de actuele en potentiële habitats binnen het onderzoeksgebied.
 

Stap 3 Nagaan gevoeligheid

Binnen het onderzoeksgebied wordt voor de (actuele en potentiële) habitats nagegaan in hoeverre deze gevoelig zijn voor eutrofiëring via de lucht. Dit wordt uitgedrukt als de kritische depositiewaarde (KDW). Zie hoofdstuk 2.3 Grenswaarden voor eutrofiëring via lucht binnen het Vlaams Natura 2000-beleid.

Overzichtstabel KDW voor eutrofiëring voor Natura 2000 habitattypen

De gevoeligheid van een habitat voor eutrofiëring via lucht kan gecontroleerd worden aan de hand van deze lijst. Deze KDW worden gehanteerd in de voortoets-online-tool en in de impactscoretool (zie verder). Hoe lager de KDW, des te gevoeliger het habitat voor eutrofiëring via de lucht.

Voor habitats waarvan op basis van hun KDW aangenomen kan worden dat deze niet gevoelig zijn voor eutrofiëring via lucht, dient geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. De habitats met een KDW > 34 kg N/ha.jaar kunnen als niet gevoelig beschouwd worden.
 

Stap 4 Actuele milieudruk

4.1 Berekening bestaande milieudruk

Zowel de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) als het INBO monitoren atmosferische concentraties van o.a. vermestende en verzurende stoffen in Vlaanderen en berekenen de bijhorende deposities. Hierbij wordt gebruik gemaakt van meetstations verspreid over Vlaanderen. 

De concentratie is de hoeveelheid stikstof in de lucht op een bepaalde locatie. De concentratie die wordt gemeten op een plaats, hangt onder meer af van de afstand en de richting tot de emissiebron. De depositie is de hoeveelheid stikstof die neerdaalt op de grond (zie figuur onder HT 2.1 Gevolgen van eutrofiëring en verzuring). Deposities worden gesimuleerd aan de hand van modellen, dewelke worden ondersteund door metingen.

De actuele milieudruk als gevolg van stikstofdepositie wordt bepaald via het atmosferisch transport- en dispersiemodel VLOPS. VLOPS staat voor Vlaams Operationeel Prioritaire Stoffen en berekent de jaartotale deposities van vermestende en verzurende stoffen. De berekeningen gebeuren op basis van ruimtelijk verdeelde binnen- en buitenlandse emissiegegevens, meteoparameters en landgebruik, met een resolutie van 1x1 km². 

Voor VLOPS wordt momenteel gebruik gemaakt van de versie VLOPS20 (meteo en emissies 2017).

⇒ Geopunt: VLOPS20 – totale vermestende depositie

4.2 Berekening van de afstand tot de KDW per habitat

De afstand tot de KDW wordt bepaald door een vergelijking te maken tussen de bestaande vermestende depositie (VLOPS) en de KDW-eutrofiëring van de habitats binnen het onderzoeksgebied. De doelafstand voor deze milieudruk dient bepaald te worden voor ieder individueel actueel en potentieel habitat. 

De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) zet in opdracht van ANB de VLOPS resultaten om naar een overschrijdingskaart voor eutrofiërende deposities. Deze kaart geeft per habitat de actuele overschrijding van de KDW-eutrofiëring weer. De overschrijdingskaart maakt deel uit van de impactscoretool.

Overschrijdingskaart eutrofiërende deposities

Indien de actuele stikstofdepositie op dit habitat hoger is dan de KDW-eutrofiëring mag deze niet verder toenemen.

✔ Geef een overzicht (cartografisch en/of tabel) van de doelafstand van de huidige milieudruk ten opzichte van de KDW-eutrofiëring voor alle actuele en potentiële habitats binnen het onderzoeksgebied.
 

Stap 5 Impact gepland initiatief

Zowel de emissies als de deposities ten gevolge van de activiteit dienen in beeld gebracht te worden. In het geval van uitbreiding of wijziging van een emissiebron dient de gehele activiteit, dus de bestaande en de nieuwe, in de toets te worden betrokken. 

Hervergunning zonder wijziging
Een hervergunning dient te worden begrepen als het bestendigen van de reeds vergunde activiteit, zonder dat de productiecapaciteit wordt verhoogd en dus zonder toename van de milieudruk t.o.v. de actuele vergunde situatie. Concreet betekent dit het bestendigen, zonder toename, van de emissie (incl. locatie emissies) van de vergunde toestand. 

Ook hervergunningen zonder wijziging moeten voldoen aan de Ministeriële instructie en bijhorende richtsnoeren, behoudens wanneer de aanvraag een verlenging beoogt tot maximaal 31 december 2022 om te kunnen inspelen op de vereisten die de definitieve PAS zal instrueren.

Om na te gaan of de hervergunning van een activiteit mogelijk is:

✔ Bereken zowel de emissie als de depositie voor de relevante stoffen(groep(en)) onder de gewenste situatie inclusief emissiereducerende maatregelen.
 

Hervergunning met wijziging
Vergunningen waarbij tevens een investering wordt uitgevoerd met het oog op het verhogen van de capaciteit vallen onder de noemer uitbreiding. Volgens het milieuvergunningendecreet is uitbreiden het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft. 

Bij een uitbreiding of wijziging van een bestaande vergunning worden hetzij de hoeveelheid emissies gewijzigd (bv als gevolg van stijging in dierenaantallen) hetzij de locatie van de emissiebron. Om vervolgens na te gaan of de uitbreiding of wijziging van een activiteit mogelijk is, moeten volgende aspecten in beeld worden gebracht:

✔ Bereken zowel de emissie als de depositie voor de relevante stoffen(groep(en)) onder de momenteel vergunde situatie inclusief emissiereducerende maatregelen;

✔ Bereken zowel de emissie als de depositie voor de relevante stoffen(groep(en)) met uitbreiding (gewenste situatie) inclusief emissiereducerende maatregelen. Hierbij dient de gehele activiteit, dus de bestaande en de nieuwe, in rekening te worden gebracht.
 

Nieuwe vergunning
Aanvragen voor nieuwe vestigingen zijn allerminst evident omdat deze de facto bijkomende emissies zullen teweegbrengen. Nieuwe bedrijven met een hoge impactscore zijn derhalve, zonder mitigerende maatregelen, allerminst evident. Belangrijk hierbij is dat de aanvraag hiertoe de nodige garanties bevat en dat na te streven reducties (zie stap 6) gerealiseerd worden.
 

5.1 Emissie

Om de effecten van een activiteit te kunnen begroten dient geweten te zijn wat de totale emissie is van een bron of een set van bronnen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van online rekentools en modellen. Deze worden besproken in het hoofdstuk 5.2. Depositie

Een belangrijk aspect bij het berekenen van emissies zijn de emissiefactoren.  

5.1.1 Emissiefactoren
Een emissiefactor geeft weer hoeveel luchtverontreiniging vrijkomt bij een bepaalde activiteit. De activiteit wordt uitgedrukt onder de vorm van een gewicht, volume, afstand of duurtijd. De luchtverontreiniging die vrijkomt wordt uitgedrukt als g/kg/ton van een bepaalde atmosferische polluent (bv. ammoniak, stikstofoxiden, zwaveldioxide).

In bepaalde online rekentools zitten de emissiefactoren reeds verwerkt (bv: impactscoretool), in andere moeten deze handmatig worden ingevoerd.

In het MER-Richtlijnensysteem Lucht wordt een overzicht gegeven van de emissiefactoren per sector. De emissiefactoren voor de veeteeltsector zijn terug te vinden in een afzonderlijk document. Het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) houdt deze lijst up-to-date. In een passende beoordeling dienen de emissiefactoren zoals voorzien in voornoemde bronnen te worden toegepast.

Onder het hoofdstuk Milderende maatregelen wordt een overzicht gegeven van de emissiereducerende maatregelen en technieken.
 

5.2 Depositie

Het proces waarmee deze stoffen vanuit de atmosfeer, die daar terecht zijn gekomen via bijvoorbeeld emissies, neerslaan op de grond noemen we depositie.

5.2.1 Natte en droge depositie
Depositie kan plaatsvinden onder drie vormen: droge, natte en occult depositie. Occulte depositie is depositie in mist, dauw en laaghangende wolken en is vooral relevant in bergachtige gebieden. Deze wordt als niet relevant beschouwd voor Vlaanderen.

Droge depositie is het afzetten van een stof op een oppervlak. Adsorptie van gassen aan de bodem en aan vegetatie. Natte depositie is het resultaat van uitregenen of uitwassen.

⇒ Meer info: natte en droge depositie (VMM)

In de voortoets-online-tool en impactscoretool wordt rekening gehouden met zowel natte als droge depositie.

5.2.2 Kwantificering depositie
De kwantificering van de depositie van een activiteit kan gebeuren door het inzetten van een lokaal dispersiemodel of via een van de tools die online kunnen worden geconsulteerd.

De kwantificering van de depositie van een activiteit kan gebeuren door het inzetten van een lokaal dispersiemodel of via een van de tools die online kunnen worden geconsulteerd. Het ANB stelt hiervoor de impactscoretool ter beschikking. Deze tool is geschikt voor (agro-)industriële activiteiten en berekent naast de emissie ook de depositie van NH3, NOx (en SOx).

Impactscoretool: emissie en depositie landbouwactiviteiten en stookinstallaties 
https://impactscore.omgeving.vlaanderen.be/  

➤ Gebruiksdoel: gedetailleerd onderzoek naar het risico op betekenisvolle aantasting van SBZ-H in het kader van de passende beoordeling voor verzuring en eutrofiëring via de lucht.
➤ Zie modelleringsafspraken IMPACT/impactscoretool 
➤ Input: relevante gegevens (laagdrempelig) voor berekening emissie NH3, NOx (en SOx):
      ⚬ Houden van dieren (aantallen, staltype(s), emissiereducerende maatregelen)
      ⚬ Stookinstallaties (type brandstof, verbruik, thermische vermogen, bouwjaar)
➤ Output: 
       ⚬ Totale emissie
       ⚬ Percentage: hoogste bijdrage aan de KDW van het habitat*
       ⚬ Locatie habitat met hoogste bijdrage**
       ⚬ GIS-lagen (download) met KDW, gemodelleerde depositie en depositiebijdrage

* actueel habitat, tot doel gesteld habitat en voorlopige zoekzones
** link naar Geopunt habitatkaart en voorlopige zoekzones o.b.v. X,Y coördinaten

Buiten de impactscoretool zijn er nog tal van modellen die gehanteerd kunnen worden. In het MER-Richtlijnensysteem Lucht wordt per activiteitengroep een overzicht gegeven van de beschikbare modellen. 

⇒ Meer info: modellen per activiteitengroep

Een courant gebruikt model is IMPACT. IMPACT staat voor 'Immission Prognosis Air Concentration Tool'. Deze tool laat toe om emissies, concentraties en deposities van polluenten te berekenen die zich via de lucht verspreiden in de nabijheid van een (agro-)industriële bron.

IMPACT: luchtkwaliteits- en geurmodellering voor (agro)-industriële bronnen en verkeer
https://www.milieuinfo.be/impact/#/ 

➤ Gebruiksdoel: MER (inclusief passende beoordeling, impact op VEN en SBZ-V)
➤ Zie modelleringsafspraken IMPACT/impactscoretool 
➤ Input: relevante gegevens (expertniveau) voor berekening van emissies NOx (en SOx)
➤ Output: depositie, concentratie, emissie, overschrijding

Het verschil tussen impactscoretool en IMPACT:

  • De impactscoretool is een laagdrempelige en vlot toegankelijke tool. Het gebruik van IMPACT vereist kennis van luchtkwaliteitsmodellering.  
  • De impactscoretool richt zich specifiek op het bereken van de emissies, deposities en de %-bijdrage aan de KDW van habitats binnen SBZ-H. De toepassingsmogelijkheden van IMPACT zijn veel ruimer.     

Iedere tool maakt gebruik van een bepaald dispersiemodel. De impactscoretool en IMPACT maken beide gebruik van VLOPS-IFDM.

kaart vlaanderen

 

5.2.2.1 VLOPS-IFDM
VLOPS-IFDM vormt het ‘rekenhart’ van de online tools impactscoretool en IMPACT. Het rekenhart bepaalt waar en in welke mate depositie plaatsvindt. VLOPS staat voor Vlaamse Operationeel Prioritaire Stoffen en wordt gebruikt voor het bepalen van de grootschalige achtergrondconcentraties. IFDM staat voor Immissie Frequentie Distributie en wordt gebruikt om gedetailleerder op kortere afstand (maximaal 20 km) de depositie te berekenen.

Alle bronnen worden doorgerekend met VLOPS, de bron in kwestie wordt doorgerekend met IFDM en er wordt een dubbeltelcorrectie toegepast. Om de totale depositie te berekenen wordt de gedetailleerd berekende bijdrage van de lokale bronnen (IFDM) opgeteld bij een achtergrondwaarde.

⇒ Meer info: berekening via VLOPS-IFDM

5.2.2.2 Alternatief dispersiemodel
Indien gebruik wordt gemaakt van een lokaal dispersiemodel worden specifieke richtlijnen aangeboden.

Richtlijnen alternatief dispersiemodel
 

5.2.3 Bijdrage depositie aan KDW
Bereken de procentuele bijdrage van de deposities aan de KDW-eutrofiëring van alle habitats binnen het onderzoeksgebied. 

⇒ KDW: tabelvorm & GIS-bestand (af te leiden uit de (stikstof)overschrijdingskaart eutrofiëring)
 

5.3 Cumulatieve effecten

Conform het arrest A-2021-0697 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dient bij de bepaling van het risico op een betekenisvolle aantasting ook rekening gehouden te worden met het cumulatief effect van meerdere deposities om zo de cumulatieve milieudruk ten aanzien van de betrokken SBZ te bepalen (‘vele kleintjes maken één grote’).

Voor deze effectgroep wordt de berekening van de cumulatieve effecten vervangen door een toets aan de actuele milieudruk door stikstofdepositie (cfr. berekening bestaande milieudruk). Een berekening van cumulatieve effecten is immers weinig zinvol, gegeven de hoge achtergronddeposities en de afstand waarover effecten van individuele activiteiten doorwerken. De actuele milieudruk is zelf de resultante van de reële cumulatieve effecten en ze benadert deze dus veel dichter dan mogelijk is via een doorrekening van cumulatie met een selectie aan vergunningen.

Concreet betekent dit dat binnen het onderzoeksgebied wordt nagegaan in welke mate de milieudruk door stikstofdepositie van een activiteit, vermeerderd met de achtergronddeposities, de kritische depositiewaarde van de voorkomende habitats al dan niet overschrijdt.

Voor de vele kleine bijdragen aan de achtergronddeposities wordt een de minimis-drempel toegepast (ref: Ministeriële Instructie KZD-13620):

De de minimis-drempel houdt rekening met het onmeetbaar, of minstens moeilijk meetbaar, karakter van bepaalde deposities. Dit sluit aan bij de definitie in artikel 2, 30° van het Natuurdecreet, dat het begrip “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” invult als een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone. 

Specifiek geldt voor NOx dat het zich over grote afstanden verspreidt, en zodoende veeleer bijdraagt tot de algemene achtergrondwaarden. Op lokaal niveau is hierdoor op zich het risico op een “death by thousand cuts” beperkter. Een de minimis-drempel voor individuele activiteiten en projecten met een (uiterst beperkte) NOx uitstoot kan zich dus richten op de mate waarin de individuele activiteit een mogelijke significante impact kan hebben. De totale jaarlijkse emissie van NOx neemt jaar na jaar af sinds 2001, een afname tot op heden nog voortduurt, zodat de doelstellingen inzake reductie van NOx teneinde het halen van de instandhoudingsdoelstellingen te verzekeren worden gehaald. Wetenschappelijk kan dan ook redelijkerwijze uitgesloten worden dat de realisatie van één project met een individueel zeer beperkte tot beperkte impact, zelfs in combinatie met alle andere projecten, het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het gedrang kan brengen. 
In tegenstelling tot wat het geval is voor NOx is de NH3 uitstoot in Vlaanderen die was ingezet sinds de jaren 1990 sinds 2007/2008 gestagneerd. 

Op basis van bovenstaande redenering wordt in de Ministeriële instructie enkel voor NOx-deposities een de minimis-drempel gedefinieerd van 1% (met een maximale absolute bijdrage van 0,3 kg N/ha.j). Voor ammoniakdeposities veroorzaakt door veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties dient steeds een individuele passende beoordeling te worden gemaakt. 
 

Stap 6 Betekenisvol effect

Bepaal op basis van de stikstofdepositie-bijdrage van het project aan de KDW-eutrofiëring wat het meest kritische punt is binnen het onderzoeksgebied. Het habitat met de hoogste %-bijdrage aan de KDW wordt beschouwd als de meest kritische locatie. Dit percentage is de zgn. impactscore. De impactscore voor zowel eutrofiëring als verzuring kan op een snelle en eenvoudige manier worden berekend via de impactscoretool

In de Ministeriële instructie en richtsnoeren wordt er een onderscheid gemaakt tussen deposities afkomstig van emissiebronnen van veehouderijen, mestverwerkingsinstallaties en industrie. Bepaal op basis van gegevens van de gewenste situatie via de impactscoretool binnen welke categorie het project zich situeert.

Overzicht beoordelingskader

Voeg volgende informatie toe aan de passende beoordeling:

✔ Bespreek hoe het meest kritische punt is bepaald, wat de impactscore is en op welk habitat het betrekking heeft. Indien de impactscoretool is gehanteerd, voeg het rapport toe als bijlage aan de passende beoordeling.

✔ Visualiseer op een kaart waar het meest kritische punt/habitat zich bevindt t.o.v. het projectgebied. 

 


Veehouderijen en mestbe- en verwerkingsinstallaties


Algemeen geldende voorwaarden:

✔ Bij ieder vergunningsproject moet maximaal worden ingezet op ammoniakemissiereducties; bijkomende emissies ten opzichte van vergunde situaties moeten maximaal vermeden worden.

✔ Nieuwe varkens- en pluimveestallen moeten met ammoniak-emissiearme stalsystemen (AEA) worden uitgerust:
       ⚬ minimale emissiereductie van 50% 
       ⚬ maximaal streven naar emissiereductie van 70% 

✔ Tegen 31 december 2030 moeten alle oude niet AEA-stallen vervangen zijn door AEA-stallen:
       ⚬ reductievoorwaarden zijn dezelfde als voor nieuwe stallen
       ⚬ beslissingen over projecten moeten deze garanties bevatten

✔ Bij de bouw van nieuwe rundveestallen moeten maximaal PAS-maatregelen worden toegepast die een aanzienlijke emissiereductie hebben. 

✔ Toepassing van Best Beschikbare Technieken (bv: AEA-systemen, PAS-lijst) op maat van het bedrijf. 

✔ Emissiereductiewinsten die geboekt worden door gangbare BBT technieken (AEA-systemen, PAS-lijst) mogen niet teniet worden gedaan door een groei van de veebezetting. 

✔ Indien er een wijziging in diersoort wordt aangevraagd waarbij er voor de actuele diersoort een omzetting naar een AEA-systeem zou zijn vereist, dient voor de nieuwe vergunde situatie een emissiereductie van (minimaal) 50% te worden bekomen. Ook wanneer er voor de nieuwe diersoort geen AEA-maatregelen van toepassing zijn.

 

Bijzondere voorwaarden:

  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW < 0,1% 
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische  habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) minder is dan 0,1%, dienen volgende voorwaarden vervuld te zijn:

✔ Deposities mogen ten aanzien van actuele en potentiële habitats niet toenemen5;

✔ Vermijden van bijkomende emissies ten opzichte van de huidig vergunde situatie; en

✔ Voldoen aan de algemeen geldende voorwaarden.
 

  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 0,1% en < 50%
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) groter of gelijk is aan 0,1%, maar kleiner dan 50%, dienen conform de Ministeriële instructie en bijhorende richtsnoeren volgende voorwaarden vervuld te zijn:

✔ Deposities mogen ten aanzien van actuele en potentiële habitats niet toenemen5;

✔ Reductie emissies van minimum 30%; desgevallend bovenop het uitrusten van AEA-stalsystemen; en

✔ Voldoen aan de algemeen geldende voorwaarden.

Sinds 2003 moeten nieuwe varkens- en pluimveestallen worden gebouwd volgens één van de technieken die worden bepaald in een lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie (AEA). Voor rundvee geldt die verplichting niet. 

Indien een AEA-staltype wordt voorzien dient deze minimaal 50% emissiereductie te realiseren (70% na te streven). Op de resterende hoeveelheid emissies, d.i. na toepassing van AEA, dient bijkomend een emissiereductie te worden voorzien van 30%.  
 

  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 50%
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) gelijk is aan of meer is dan 50%, wordt de impact beschouwd als niet-remedieerbaar. 
     

Motivatie en onderbouwing
Geef in de passende beoordeling een overzicht van de opgelegde voorwaarden en bespreek hoe hieraan wordt voldaan. Zorg ervoor dat zowel voor de toepassing van AEA en/of PAS maatregelen als eventueel bijkomende acties goed worden gemotiveerd en onderbouwd. Hou hierbij rekening met de voorwaarden die worden opgelegd in het hoofdstuk ‘In hoeverre kan gemilderd worden?’. Zo zijn bijvoorbeeld niet alle combinaties van AEA en/of PAS maatregelen mogelijk en worden er bepaalde voorwaarden opgelegd in de PAS-fiches.

NOx-emissie veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties
Naast ammoniakemissies kan het zijn dat er ook stikstofoxiden worden uitgestoten (bv: stookinstallaties, co-vergisters). Aangezien wordt verwacht dat de hoeveelheid NOx-emissie in verhouding tot de NH3 relatief beperkt is, dient de som van beide deposities getoetst te worden aan bovenstaande voorwaarden voor ammoniakemissies en daaruit volgende deposities. 

5 Deposities mogen zeker niet toenemen
Vul onderstaande tabel aan en bepaal vervolgens via het stappenplan of bijkomende info aangeleverd dient te worden om te voldoen aan de voorwaarde ‘deposities mogen zeker niet toenemen’.
 

  Habitat6 Achtergronddepositie Depositie project
  Type KDW
kg N/(ha.jaar)
X-
coördinaat
Y-coördinaat kg N / (ha.jaar)7 Actuele overschrijding (%)8 kg N / (ha.jaar) Bijdrage KDW (%)9
Huidige vergunde situatie                
Gewenste situatie              

 

Doorloop aan de hand van bovenstaande tabel volgende vragen:

1. Is de impactscore10 vermesting/eutrofiëring voor habitats en voorlopige zoekzones van de gewenste situatie gestegen, gedaald of gelijk gebleven ten opzichte van de huidig vergunde situatie?

➤ Daling (of gelijk):         Ga naar stap 2
➤ Stijging:                      Ga naar stap 4

2. Komen de x- en y-coördinaten van het meest kritische punt (eutrofiëring) voor de gewenste en de huidig vergunde situatie overeen?

➤ Ja:          Voldaan aan voorwaarde 'deposities mogen zeker niet stijgen'
➤ Nee:       Ga naar stap 3

3. Vergelijk de totale depositie voor alle habitats voor de huidig vergunde situatie met de gewenst situatie. De nodige data krijgt u meegestuurd als shapefile samen met het rapport van de impactscoretool. Toon op basis hiervan aan dat de deposities binnen het onderzoeksgebied voor de gewenste situatie nergens stijgen ten opzichte van de huidig vergunde situatie.

➤ Daling (of gelijk):                         Voldaan aan voorwaarde 'deposities mogen zeker niet stijgen'
➤ Stijging op bepaalde locaties:       Ga naar stap 4

4. Neem bijkomende maatregelen om de deposities te doen dalen. Eenmaal duidelijk is welke bijkomende maatregelen genomen zullen worden, doorloop dan opnieuw de impactscoretool en vervolgens bovenstaande vragenlijst tot er wordt voldaan aan de voorwaarde.


Meest kritische punt: habitats en voorlopige zoekzones (zie rapport impactscoretool)
Volgens overschrijdingskaart eutrofiëring
8 Bereken op basis van de overschrijdingskaart eutrofiëring
9 Impactscore (vermesting of eutrofiëring)
10 Indien er geen gebruik kan worden gemaakt van de impactscoretool dient binnen het volledige onderzoeksgebied in beeld te worden gebracht of, en zo ja voor welke, de %-bijdrage aan de KDW-eutrofiëring van een habitat zal toenemen in de gewenste situatie t.o.v. de huidige situatie. 

 


Industriële bron


  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 1% en <5%
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) groter of gelijk is aan 1%, maar kleiner dan 5%, dienen conform de Ministeriële instructie de gangbare emissiereducerende maatregelen (BBT) te worden toegepast. 

       ⇒ Meer info over BBT 

    Zoals bepaald in het Luchtbeleidsplan wordt voor emissiereducerende maatregelen een kosteneffectiviteitsdrempel van 8,6 EUR/kg voor NOx vooropgesteld. In de passende beoordeling kan dezelfde drempel worden gehanteerd indien emissiereducerende maatregelen moeten worden genomen. De maatregelen die voldoen aan dit kosteneffectiviteitscriterium dienen dan in principe te worden uitgevoerd, tenzij specifieke locatie- of bedrijfsspecifieke omstandigheden dat niet zouden toelaten.

      Een substantiële daling moet bepaald worden geval-per-geval in functie van de specifieke situatie van het bedrijf.

  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 5% en < 50%
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) groter of gelijk is aan 5%, maar kleiner dan 50%, moet gekeken worden naar BBT+ maatregelen. BBT+ zijn maatregelen die verder gaan dan BBT. Hierbij wordt verwacht dat al het mogelijke in werking wordt gesteld om de emissies te reduceren. 

      Een substantiële daling moet bepaald worden geval-per-geval in functie van de specifieke situatie van het bedrijf.

  • Aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 50%
    Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het meest kritische habitat binnen het onderzoeksgebied (impactscore) gelijk is aan of meer is dan 50%,  wordt de impact beschouwd als niet-remedieerbaar.
     

Het tussentijds kader voor NOx:

kader NOx

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NH3-emissie industrie
Gezien het feit dat bepaalde belangrijke maatregelen voor de reductie van NOx mogelijk leiden tot beperkte toename van ammoniak, is het aangewezen dat de industriële ammoniakemissies op gelijke wijze worden behandeld als de NOx-emissies. 

Andere sectoren
Voor de sector mobiliteit, handel en diensten wordt in de definitieve PAS een kader uitgewerkt. Inzake mobiliteit betreffen de projecten waarvoor een passende beoordeling nodig is hoofzakelijk aanpassingen aan bestaande wegen of aanleg van nieuwe wegen. In afwachting van de definitieve PAS kan het MER-Richtlijnensysteem Lucht richtinggevend zijn voor de huidige dossiers.
 

Rapportage

Geef voor de momenteel vergunde en gewenste situatie aan wat de totale emissie is van de activiteit. Bepaal op basis van de totale emissies de absolute waarden van de depositie en daarnaast de procentuele bijdrage ten opzichte van de KDW-eutrofiëring van alle habitats binnen het onderzoeksgebied. 

✔ Geef een gedetailleerd overzicht van de emissie en de depositie stikstof afkomstig van de aangevraagde activiteit in de gewenste situatie, en indien van toepassing ook de huidig vergunde situatie. 

✔ Beschrijf op welke manier het meest kritische punt (impactscore) is bepaald.

✔ Voeg een kaart toe met daarop de locatie van het meest kritische punt.

✔ Beschrijf op welke manier er is voldaan aan de algemeen geldende en bijzondere voorwaarden.
 

Maak een overzicht van de modelparameters die zijn ingevoerd. 

✔ Bespreek welk model wordt gehanteerd en geef een overzicht van de modelparameters.

✔ Voeg de output van het model toe als bijlage aan de passende beoordeling.
 

Indien milderende maatregelen worden toegepast om emissies te reduceren, maak dan een duidelijk onderscheid tussen de diverse maatregelen (bv: AEA versus PAS) en geef een overzicht van de reductiepercentages die hieraan gekoppeld zijn. De resultaten van de modelleringen moeten ruimtelijk weergegeven worden via contouren of berekende punten en tevens weergegeven in een overzichtelijke tabel. 

Overzicht aan te leveren gegevens houden van dieren
Overzicht aan te leveren gegevens stookinstallaties

Omwille van de complexiteit en project-specifieke variatie binnen andere activiteitengroepen is het niet mogelijk om hiervoor een standaardtabel op te maken. Deze dienen een oplijsting te maken van de relevante modelparameters, afgestemd op de specifieke processen m.b.t. de emissie van stikstof. 
 

Milderende maatregelen

Hier worden de milderende maatregelen opgenomen, die momenteel reeds gevalideerd zijn. 

1. Welke milderende maatregelen?

 

1.1. Ammoniak: AEA- en PAS-lijst

Op de website van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) wordt een overzicht gegeven van de ammoniak-emissiereducerende maatregelen en technieken, de zogenaamde PAS-lijst

⇒ Ammoniak: PAS-lijst

De PAS-lijst is geen lijst van de Best Beschikbare Technieken (BBT) maar zijn maatregelen die getroffen kunnen worden om de ammoniakemissie uit stallen te doen dalen. Welke techniek de BTT is voor een bedrijf moet case per case geëvalueerd worden.

Als maatregelen van de PAS-lijst worden gecombineerd, geldt het reductiepercentage van de meest reducerende maatregel voor het geheel, tenzij de combinatie valt onder een van de categorieën vermeld in de combinatietabellen.

Naast de PAS-lijst is er ook een lijst van ammoniak-emissiearme stalsystemen voor varkens en pluimvee, de zogenaamde AEA-lijst. Deze lijst wordt ter beschikking gesteld door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en focust specifiek op stalsysteemtechnieken om een reductie in ammoniak-emissie te bekomen. Sinds 2003 moeten nieuwe varkens- en pluimveestallen worden gebouwd volgens één van de technieken die worden bepaald in een lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie.

⇒ Ammoniak: AEA-lijst

De staltechnieken die op de AEA-lijst staan voldoen ook aan de voorwaarden van de PAS-lijst, maar worden er niet expliciet in opgenomen.

⇒ Meer info: verschil tussen PAS- en AEA-lijst

Houd rekening met volgende aspecten:

✔  Indien van toepassing, maak een duidelijk onderscheid in de passende beoordeling tussen AEA- en PAS-maatregelen.

✔  Een combinatie van meerdere AEA- en/of PAS-maatregelen is enkel toegestaan zoals wordt vermeld in de combinatietabellen (AEA, PAS) en mits deze zijn onderbouwd.

✔  Motiveer de haalbaarheid van omzetting van de voorgestelde maatregelen in de praktijk (bv: zie voorwaarden PAS-fiches).

Voor landbouw-veeteelt komen enkel de maatregelen die opgenomen zijn in de AEA-lijst en de maatregelen opgenomen in de goedgekeurde PAS-lijst in aanmerking.

Elke belanghebbende kan maatregelen voorstellen ter opname in de PAS-lijst (meer info).
 

1.2. Best Beschikbare Technieken (BBT)

Beste beschikbare technieken zijn technieken die, in vergelijking met alle gelijkaardige technieken, het best scoren op milieugebied én betaalbaar zijn én technisch uitvoerbaar zijn. Deze hebben tot doel de emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken.

Algemene info over BBT 

Het BBT-kenniscentrum (EMIS, VITO) en het ILVO inventariseert informatie in verband met milieuvriendelijke technieken en evalueert per bedrijfstak de best beschikbare technieken.

⇒ EMIS: BBT-kenniscentrum

Op de EMIS website wordt een overzicht gegeven van de BTT-studies. Hierin wordt effect van specifieke emissiereducerende technieken gekwantificeerd. 

⇒ EMIS: BBT-studies

Anderzijds is het mogelijk om de LUSS-tool te raadplegen. De LUSS-tool is een beslissingsondersteunend systeem dat kan helpen bij een eerste screening van mogelijke technieken om luchtverontreiniging op te lossen.

⇒ EMIS: LUSS-tool

2. Hoe te beschouwen in de passende beoordeling?

De milderende maatregelen, in functie van reductie van de emissie door de activiteit, dienen duidelijk geïdentificeerd te worden conform de ter beschikking gestelde lijst en moeten opgenomen worden in de vergunningsaanvraag.

Indien extra milderende maatregelen doorgerekend zijn, worden de verschillende scenario’s met elkaar vergeleken. Hun effect wordt op dezelfde wijze in beeld gebracht als dat van het project voor mildering.
 

Monitoring

Er zijn verschillende technieken van monitoring van stikstofdepositie en de impact ervan. In het kader van een individuele vergunning worden er geen bijkomende monitoringsverplichtingen opgelegd voor het meten van de gevolgen van stikstofdepositie in de SBZ gebieden. Wel wordt verwacht dat milderende maatregelen uitgevoerd worden en doeltreffend zijn. Dit veronderstelt een goede opvolging van de werking van de installaties, mede via datalogging.

Bij sommige installaties, zoals luchtwassers, zijn bij installatie onderhoudscontracten opgenomen om de efficiëntie van het systeem te garanderen.
 

Voorbeeld

In deze praktische wegwijzer is geen voorbeeld uitgewerkt.

Referenties

Hens M., Neirynck J., 2013, Kritische depositiewaarden voor stikstof voor duurzame instandhouding van Europese habitattypen in Vlaanderen, INBO, nota WBC.

Kok, A. Y.. Validatie koppeling VLOPS+IFDM voor de berekening van de stikstofdepositie in het kader van de PAS. Validatie koppeling VLOPS+IFDM. Rapport D.2015.0761.00.R001. DGMR Software B.V., i.o.v. VMM.

Lefebvre W. , Deutsch F., 2015, Onderzoek naar de koppeling van de luchtkwaliteitsmodellen VLOPS en IFDM in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), Studie uitgevoerd in opdracht van: Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht. 2015/RMA/R/18.

Oosterlynck P., De Saeger S., Leyssen A., Provoost S., Thomaes A., Vandevoorde B., Wouters J., & Paelinckx D. (2020). Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de Natura2000 habitattypen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.14061248

van Dobben H.F., Bobbink R., Bal D., van Hinsberg A. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397. Alterra, WUR, Wageningen, Nederland.

VMM 2015. Luchtkwaliteit in Vlaanderen: https://www.vmm.be/lucht/luchtkwaliteit