Vijver © Thierry de Coninck

Eutrofiëring via de lucht

Inleiding

1. Doel en status van de praktische  wegwijzer

Deze praktische wegwijzer werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos, in overleg met thema-experten van de Vlaamse overheid (Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, Vlaamse Milieumaatschappij, Departement Omgeving - dienst MER, Vlaamse Landmaatschappij, Departement Omgeving - ALHRMG – Dienst Lucht) en besproken in de kwestiewerkgroep ‘IHD en passende beoordeling’ met betrokkenheid van maatschappelijke actors.

De praktische wegwijzer moet begrepen worden als de meest actuele leidraad voor het beoordelen van de significantie van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen in de speciale beschermingszones, meer bepaald de Habitatrichtlijngebieden. Deze praktische wegwijzer is geen richtlijn voor de beoordeling in Vogelrichtlijngebieden, noch voor VEN of voor beschermde soorten noch voor biologisch waardevolle en zeer waardevolle gebieden volgens de biologische waarderingskaart buiten Habitatrichtlijngebieden. Het is de bedoeling de praktische wegwijzer verder aan te vullen naarmate kennis en praktijk toenemen. De praktische wegwijzer is aldus een dynamisch gegeven.

Leeswijzer: in de tekst wordt steeds over de habitat gesproken. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling, het kan hier gaan over:

  1.  een actuele habitat, zoals we dit terugvinden op de habitatkaart;
  2. een potentiële habitat of actuele habitat opgenomen in de afbakening van de voorlopige zoekzones;
  3. een actuele of tot doel gestelde habitat opgenomen in een beheerplan of vastgelegd in de richtkaart van het managementplan.

In de praktische wegwijzer duiden we (a) en (b) aan door gebruik te maken van de terminologie (potentiële) habitat/voorlopige zoekzone. Een toelichting van de zoekzone kan teruggevonden worden in Bijlage.

Indien we in de praktische wegwijzer spreken over betekenisvolle aantasting of betekenisvol effect bedoelen we de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone zoals bedoeld in artikel 36 ter §3 van het Natuurdecreet.

2. Toepassingsveld van deze effectgroep

Deze praktische wegwijzer gaat in op effecten op de (potentiële) habitats / voorlopige zoekzones, die gevoelig zijn voor eutrofiëring ten gevolge van atmosferische depositie. Deze effectgroep moet beschouwd worden voor elk plan/project dat kan leiden tot emissies van eutrofiërende stoffen via de lucht. In Bijlage is de definiëring van de effectgroep eutrofiëring opgenomen.

Vaak gaat eutrofiëring ook gepaard met wijzigingen in zuurgraad, zie effectgroep Verzuring via lucht. Beide effectgroepen moeten dan bestudeerd worden.

Deze versie van de praktische wegwijzer geldt vanaf 1 juli 2017. Meer informatie over het PAS traject kan gevonden worden op www.natura2000.vlaanderen.be/pas.

De praktische wegwijzer wordt steeds geactualiseerd rekening houdend met voortschrijdend inzicht betreffende de kritische depositiewaarde en depositiemodelleringen.

Voor plannen op strategisch niveau moet getoetst worden aan het traject dat wordt gevolgd om te komen tot een programmatische aanpak stikstof en dat voorziet in een billijke responsabilisering van de betrokken sectoren met het oog op een stelselmatige afbouw van de deposities.

3. De link tussen Voortoets, project-MER en Passende beoordeling

Het risico of de waarschijnlijkheid op een betekenisvolle aantasting kan onderzocht worden in een voortoets. Het instrument Voortoets – bedoeld voor niet-merplichtige plannen of projecten - wordt ontwikkeld in een applicatie toegankelijk via het internet. Het is opgemaakt voor het doorlichten van vergunningsaanvragen op projectniveau. Is er via de Voortoets een indicatie dat er een risico of waarschijnlijkheid bestaat op een betekenisvolle aantasting van de (potentiele) habitats of voorlopige zoekzones in de speciale beschermingszone, dan is nader onderzoek aangewezen. Overleg met ANB is aangewezen om na te gaan of het risico op een betekenisvolle aantasting leidt tot verder onderzoek in de vorm van een passende beoordeling.

In de Voortoets doorlopen we volgende stappen:

  1. Waar vindt de ingreep plaats?
  • De aanvrager van de vergunning kan daartoe het projectgebied intekenen.
  1. Om welke ingreep gaat het?
  • De aanvrager doorloopt een vragenlijst die de ingreep karakteriseert.
  1. Welke effecten genereert ze?
  • Op basis van de projecteigenschappen of eigenschappen van het plan blijkt of er aanleiding kan zijn tot een effect.
  1. Is er potentieel een negatieve impact?
  • Op basis van de plan- of projecteigenschappen wordt een afstand bepaald waarbinnen er mogelijks een impact is. Indien deze contour (“toetszone”) een Speciale BeschermingsZone (SBZ) snijdt en indien in deze overlap een actueel habitat of een voorlopige zoekzone voorkomt, dat gevoelig is voor een bepaalde effectgroep, dan moet dit effect nader onderzocht worden. In eerste instantie is overleg met het ANB aangewezen, vooraleer de stap te zetten naar een passende beoordeling.

Omdat de Voortoets op www.voortoets.be in zijn huidige vorm beperkt is en geen volledige evaluatie op alle mogelijke effecten binnen Speciale Beschermingzones geeft, dient hier ook rekening mee gehouden worden bij de interpretatie van de rapportage van die Voortoets. Een groen rapport van de online tool slaat dan ook alleen op de effecten die deze tool heeft kunnen nagaan. Bovendien wordt er op dit moment via de tool alleen getoetst aan tot doel gestelde Europees te beschermen habitats en niet aan soorten die vallen onder de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

De Voortoets is ontwikkeld en uitgewerkt in nauw overleg met de doelgroepen. In consensus is afgesproken dat de Voortoets zich in hoofdzaak moet richten naar ‘gemiddelde en vaak voorkomende activiteiten’ in of in de buurt van Speciale Beschermingszones van het Natura2000-netwerk. De voornaamste reden hiervoor was dat de initiatiefnemer de Voortoets zelf moet kunnen uitvoeren. Daarom is zorgvuldig gelet op het laagdrempelig en toegankelijk karakter van de tool. Dit heeft meteen ook het voordeel dat een initiatiefnemer zijn project naar believen kan aanpassen en steeds met deze nieuwe situatie een voorzichtige doorrekening kan doen van de mogelijke gevolgen. Een MER daarentegen wordt door erkende deskundigen opgesteld binnen een vooraf bepaald traject. De expert kan het MER-plichtig project meteen met op maat ontworpen beoordelingsprocedures bekijken. Het is niet dat de Voortoets als tool in deze context niet bruikbaar zou zijn voor erkende MER-deskundigen. De tool blijft ook voor MER-plichtige activiteiten bruikbaar, maar er zijn door de gekozen focus op kleinschalige activiteiten ook op technisch vlak grenzen ingebouwd zodat de berekeningen die de Voortoets doet, niet meer betrouwbaar zijn in geval van grote installaties of inrichtingen. Bepaalde activiteiten die MER-plichtig zijn, liggen dus buiten het bereik van de Voortoets.

In een Passende beoordeling doorlopen we verder volgende stappen:

  1. Leidt de impact tot een betekenisvol(*) effect, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande, voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s? Dit wil zeggen: doet er zich een betekenisvol probleem voor met een bepaalde effectgroep en is de bijdrage van de vergunning daarin relevant?
  2. Kan het effect vermeden worden door – in volgorde van afweging – plan/projectaanpassing, wijziging uitvoeringsmethodiek en/of incorporatie van milderende maatregelen?
  3. Welke opvolging is aangewezen omtrent de naleving van de voorwaarden?

(*) In de betekenis van de definitie zoals omschreven in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (21/10/1997 artikel 2 30°: betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone)

In onderstaande praktische wegwijzer worden de stappen E, F en G toegelicht.

Indien de Passende beoordeling aangeeft dat er een betekenisvolle aantasting te verwachten is, dan kan de bevoegde overheid geen toestemming geven voor het plan/project. Deze praktische wegwijzer behandelt niet de uitzonderingsprocedure welke dient gevolgd om een plan/project toch te laten doorgaan, ook al zijn er negatieve effecten te verwachten. Het alternatievenonderzoek, de dwingende reden van groot openbaar belang en de compensatie komen in deze wegwijzer dus niet aan bod.

Het verschil tussen Voortoets en Passende beoordeling wordt in volgend schema verduidelijkt:


In afwachting van een meer algemene Voortoets, wordt via hetzelfde webadres, al een Depositiescan ter beschikking gesteld. Dit vormt een ‘voortoets’ voor de effectgroepen eutrofiëring en verzuring via de lucht. Daarbij kan voor die effectengroepen getoetst worden of er per effectgroep een waarschijnlijkheid of risico is op een betekenisvolle aantasting van de (potentiële) habitats of voorlopige zoekzones in de speciale beschermingszones (enkel Habitatrichtlijngebied).

Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

1. Algemeen

De Habitatrichtlijn vraagt om de potentiële effecten van activiteiten te toetsen aan de gunstige staat van instandhouding. Het Natuurdecreet vraagt om te toetsen aan de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Hieronder vallen: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III bij het Natuurdecreet.

Dit betekent dat ook de standplaatsfactoren op orde moeten worden gebracht, opdat de gunstige staat kan worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld: de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem of grondwater,… . Voor de effectbeoordeling van activiteiten, net als voor het bepalen van het beleid tot voorkoming van verslechtering van de habitats en tot behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de kwaliteit van de ecologische standplaatsvereisten, uitgedrukt in grens- en streefwaarden, een belangrijke indicator.

De ecologische standplaatsvereisten van een habitattype kunnen gekoppeld worden aan de staat van instandhouding (gunstig of ongunstig). De grens tussen beide (gunstig of ongunstig) is per standplaatsvereiste de grenswaarde. Binnen de gunstige staat maken de criteria voor lokale staat van instandhouding een onderscheid tussen goed en voldoende. Op de grens tussen deze twee subcategorieën bevinden zich de streefwaarden. Deze spelen geen rol in de passende beoordeling en het vergunningenbeleid.

In volgend schema wordt uitdrukking gegeven aan de relatie tussen de staat van instandhouding en de grens- en streefwaarden.

grens- en streefwaarden

In de effectenanalyse kan berekend worden in hoeverre de abiotische randvoorwaarde wijzigt. Om deze wijziging te kunnen beoordelen, wordt er getoetst aan de grenswaarde.

De huidige milieudruk bepaalt mee de staat van instandhouding van een habitat. Op basis van de grenswaarden voor de ecologische standplaatsvereisten van een habitat, kan dan ook bepaald worden wat de impact is van de huidige milieudruk en de (bijkomende) milieudruk van te vergunnen activiteiten. Er kan nagegaan worden welke marge er is om bijkomende milieudruk toe te laten.

De “kritische grenswaarde” is de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte of volume voor een bepaald habitattype of leefgebied zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn en/of het behoud/herstel naar de beoogde gunstige lokale staat van instandhouding gehypothekeerd wordt (bron: Implementatie nota IHD, 2013).

Met betrekking tot eutrofiëring lucht en de stikstofproblematiek (PAS context) kunnen andere factoren, zoals het herstelbeheer (bv. herstel hydrologie), hierin ook een rol spelen.

2. Grenswaarden qua gevoeligheid van een habitat voor eutrofiëring via lucht

2.1 Gevolgen van verzuring en vermesting

Voor we stilstaan bij de kwantificering van de gevoeligheid van een habitat voor eutrofiëring, duiden we graag de problematiek en zijn relatie tot de verwante effectengroep verzuring.

Stikstof is een essentiële voedingsstof voor planten. Door natuurlijke processen komt stikstof vrij onder meer uit organisch materiaal. Door antropogene aanvoer van stikstof in vegetaties, kunnen een overmaat aan stikstof in het milieu en een verstoring van het natuurlijk evenwicht in ecosystemen ontstaan. Stikstofverbindingen die in de lucht geëmitteerd worden, komen via depositie terecht op de bodem en op vegetaties. De depositie van stikstofoxiden (NOx), ammoniak en ammoniumverbindingen (NHx) heeft zowel een vermestend als een verzurend effect.

Vermesting of eutrofiëring ontstaat door een onevenwicht in de beschikbaarheid van plantopneembare nutriënten. Effecten hiervan zijn divers. Het gaat om onder meer een verhoogde biomassaproductie en een dominantie van meer competitieve plantensoorten die snel reageren op deze stikstoftoename ten nadele van minder competitieve soorten die gebonden zijn aan voedselarme standplaatsen. Een typisch gevolg van vermesting is vergrassing en verruiging. In oppervlaktewatersystemen leidt vermesting tot een snelle aangroei van algenpopulaties. De belangrijkste vermestende componenten zijn NOx en NHx.

Door verzuring van de bovenste bodemlagen wijzigt o.a. de relatieve plantbeschikbaarheid van verschillende voedingselementen (Ca2+, Mg2+, K+) en neemt het risico op aluminiumtoxiciteit toe, waardoor het bodemmilieu ongeschikt wordt voor verzuringsgevoelige (planten)soorten. De emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) geven aanleiding tot verzurende deposities.

Voor een omvattende beschrijving van de vermestings- en verzuringsproblematiek in Vlaanderen door atmosferische depositie, verwijzen we o.a. naar de website van de VMM en de achtergrondrapporten bij de Vlaamse milieurapportering (https://www.vmm.be/lucht/verzuring-en-vermesting, MIRA, 2006, 2011).

In deze praktische wegwijzer gaan we enkel in op het eutrofiërend effect van stikstofdepositie. Verder in de tekst wordt als synoniem soms ook over vermesting gesproken.

2.2 Relatie tot een duurzame instandhouding

De voorbije jaren werd vooral in Nederland een onderzoeksinspanning geleverd om de internationaal beschikbare kennis rond kritische depositiewaarden (KDW) te koppelen aan de duurzame instandhouding van de habitattypen uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn (Van Dobben et al. 2012; De Vries et al. 2007; Bobbink & Hettelingh 2011). De KDW wordt hierbij gedefinieerd als de grens, waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast door eutrofiërende invloed van atmosferische stikstofdepositie (van Dobben et al. 2012). Indien de KDW van een habitat niet is overschreden, dan zal een habitat voor deze verstoringsfactor geen negatieve impact ondervinden.

Bijgevolg is de ‘kritische last’ een belangrijke indicator om het effect van de eutrofiërende depositie te beoordelen in relatie tot de duurzame instandhouding van habitattypen. Uit de internationaal gehanteerde definitie van het concept kritische depositiewaarden (zie hoger) volgt dat de kritische depositiewaarden in het IHD-beleid als grenswaarden moeten gehanteerd worden. Het beleid is uiteindelijk wel gericht op het behalen van de gunstige staat van instandhouding van de betrokken habitats, en niet op de kritische last zelf.

De kritische last voor ‘eutrofiëring’ wordt uitgedrukt in ‘kilogram stikstof per hectare en per jaar’ als ‘kritische depositiewaarde voor stikstof’ (KDW voor stikstof).

2.3 Grenswaarden voor eutrofiëring lucht binnen het Vlaams beleid

Op basis van de informatie uit de Nederlandse studies werd een analyse uitgevoerd of deze KDW gebruikt kunnen worden in Vlaanderen (Hens M., Neirynck J., 2013, Kritische depositiewaarden voor stikstof voor duurzame instandhouding van Europese habitattypen in Vlaanderen, INBO, nota besproken in de Wetenschappelijke Begeleidingscommissie (WBC)). Voor stikstofdepositie volgt uit de internationaal gehanteerde definitie van het concept kritische depositiewaarden (zie hoger), dat de KDW in het IHD-beleid als grenswaarde moeten gehanteerd worden.

Uit de analyse van het INBO blijkt dat, om op korte termijn habitattype-specifieke KDW voor stikstof vast te stellen, de Nederlandse KDW kunnen gehanteerd worden als basis voor toepassing in Vlaanderen (van Dobben et al. 2012). Deze set heeft het voordeel dat:

  • Ze met een systematische, reproduceerbare en internationaal gereviewde en erkende methodologie tot stand is gekomen;
  • Ze internationaal beschouwd wordt als de beste beschikbare methode om bestaande kennis m.b.t. KDW om te zetten naar een habitattype specifieke set KDW;
  • Ze, op vijf habitat(sub)typen na, waarden bevat voor alle habitat(sub)typen die in Vlaanderen voorkomen. De vijf ontbrekende (sub)typen (en overeenkomstige code) zijn:
    • Kalkrijk kamgrasland (6510_huk) (Dit habitattype komt in Vlaanderen niet op een kalkrijk substraat voor, maar eerder op lemige bodems en is verzuringsgevoelig)
    • Jeneverbesstruweel in heide (5130 en 5130_bos)
    • Rietlanden met echte heemst (6430_mr)
    • Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum (9130, onderverdeeld in 9130_end en 9130_fm)
    • Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorende tot het Cephalanthero-Fagion (9150)
  • Er met betrekking tot de grensoverschrijdende problematiek van stikstofemissie en –depositie gewerkt kan worden met eenzelfde beoordelingskader inzake stikstofgevoeligheid van Natura 2000 habitattypen.

Als er nieuwe data beschikbaar komen en deze besproken zijn in de Gewestelijke Overleg Instantie (GOI) ingesteld in uitvoering van artikel 50 quinquies van het Natuurdecreet, kan de bestaande set aan gegevens bijgesteld worden en zullen deze vervangen worden in de praktische wegwijzer.

In bijlage zijn de KDW’s voor eutrofiëring via de lucht opgenomen, die in het kader van de PAS gebruikt worden. Deze zijn gebaseerd op de Nederlandse KDW (van Dobben et al. 2012), zoals verwerkt in de nota van het INBO (Hens, 2013) en aangepast naar aanleiding van de ontwikkeling van de IMPACTSCORE NH3 tool. Deze lijst bevat de vertaling van de Nederlandse habitatsubtypes naar de Vlaamse habitatsubtypen en bevat een verduidelijking van de Nederlandse ranges in KDW. Voor natte heide bestaat de range in Nederland bv. uit 11-17 kg N/ha. Er werd hier voor natte heide de waarde van 17 kg N/ha behouden voor Vlaanderen. De waarde van 11 kg N/ha werd toegewezen aan 7140_oli. Voor de 5 habitatsubtypes die niet in Nederland voorkomen is een voorlopige waarde vastgesteld op basis van gelijkaardige standplaatsen van gelijkaardige habitats.

KDW worden gebruikt voor de afweging van effecten ten gevolge van vermestende emissies van verschillende bronnen (landbouw, industrie, transport).

Algemeen referentiekader

Het kader voor de beoordeling van een effect is de lokale gunstige staat van instandhouding. Aan de gunstige staat van instandhouding zijn bij wijze van belangrijke indicator, grenswaarden gekoppeld voor de passende beoordeling. In de significantie beoordeling van een effect ten opzichte van de lokale staat van instandhouding, wordt nagegaan of de grenswaarden, die uitdrukking zijn van ecologische standplaatsvereisten, gerespecteerd worden.

Bij een goede afweging moet naar een complex van factoren worden gekeken, o.a. :

  • de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats van de speciale beschermingszone;
  • de locatie van de gevoelige habitattypen in de speciale beschermingszone;
  • de ambities met betrekking tot de termijn van realisering van de IHD, zoals blijkt uit de managementplannen;
  • de overige ecologische condities van de habitats;
  • het herstelbeheer in de zin van beheer, dat er op gericht is om tijdelijke ongunstige condities te mitigeren.

Het algemeen referentiekader voor de significantiebeoordeling wordt als volgt uitgedrukt:

" "

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(*) tenzij gunstige regionale staat reeds bereikt /(**) van zodra een gunstige staat van instandhouding op zowel of gebieds- als ook op biogeografisch niveau is bereikt, dient elke marginale afname geval per geval beoordeeld te worden op basis van het voorzorgsprincipe, zowel ten aanzien van de betrokken habitat types, als ook ten aanzien van de algemene beheerstrategie van het gebied en de implicaties voor het behoud van de integriteit van het gebied.

Onder percelen onder beheer worden die percelen bedoeld waarvan de doelstellingen gelokaliseerd zijn via het proces van het managementplan Natura 2000 en verankerd zijn in vb. een beheerplan.

Concreet wordt in de Passende beoordeling dus zowel voor de percelen die reeds onder correct beheer zijn, als voor de voorlopige zoekzones, als voor actueel habitat buiten de voorlopige zoekzones getoetst aan de grenswaarden zolang er onvoldoende oppervlakte onder beheer is.

Van zodra er voldoende oppervlakte onder correct beheer is, en er dus geen zoekzones meer noodzakelijk zijn, wordt voor alle percelen onder beheer nog steeds getoetst aan de grenswaarden. De habitatsnippers die daarbuiten nog voorkomen in de speciale beschermingszone, zijn in principe niet meer nodig voor het behalen van de doelen. In de passende beoordeling wordt dan ook niet langer getoetst aan de grenswaarden maar er zal wel een standstill nagestreefd worden (wat in dit geval dus betekent: een status quo van de deelparameters).

Wanneer bovendien de lokaal gunstige staat bereikt is wordt voor de percelen onder beheer getoetst aan de grenswaarden (dus de lokaal gunstige staat) en zal voor de resterende actuele habitats een standstill**.

Verduidelijking a.h.v. een voorbeeld

Aanname in het voorbeeld is dat voor een bepaald habitat 100 hectare onder correct beheer dient te worden gebracht om op het niveau van een speciale beschermingszone tot een gunstige staat van instandhouding te komen. De gewijzigde factoren zoals opgenomen in de wijziging van het Instandhoudingsbesluit (BVR 16/06/2017) worden nog niet gehanteerd in dit voorbeeld aangezien in de praktijk op dit moment de voorlopige zoekzone gehanteerd wordt.

1) Onvoldoende oppervlakte onder beheer

Indien voor dit habitat slechts 60 hectare onder correct beheer is, dan dient een voorlopige zoekzone te worden gevrijwaard van 40 x 1 = 40 hectare groot. De passende beoordeling zal de invloed nagaan van de activiteit op:

  • de 60 hectare die correct wordt beheerd
  • de 40 hectare waarin naar de resterende 40 hectare wordt gezocht
  • en de habitatvlekken (“snippers”) die buiten de twee voorgaande categorieën vallen.

Voor deze drie onderdelen van de toetszone is de passende beoordeling even streng: er wordt steeds getoetst aan de grenswaarden die bereikt moeten worden met het oog op de gunstige staat van instandhouding. Dit omdat het voor elk van de drie categorieën mogelijk is dat ze uiteindelijk nog nodig zullen blijken voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding.

2) Voldoende oppervlakte onder beheer

Zodra de benodigde 100 hectare onder correct beheer is, is de voorlopige zoekzone volledig verdwenen. Bij de passende beoordeling wordt enkel voor deze 100 hectare nagegaan of er een significante impact is ten opzichte van de grenswaarden die gelden voor de gunstige staat van instandhouding.

De habitatsnippers die daarbuiten nog voorkomen in de speciale beschermingszone, zijn in principe niet nodig voor het behalen van de lokaal gunstige staat van instandhouding. In de passende beoordeling wordt dan ook niet getoetst aan de grenswaarden.

Aangezien de lokaal gunstige staat nog niet is bereikt, wordt wel vereist dat de snippers niet verder achteruit mogen gaan: het moet immers mogelijk blijven deze terug in te schakelen wanneer het onmogelijk blijkt om op de aangeduide 100 hectare de gunstige staat te bereiken. Concreet wil dit zeggen dat voor de milieuparameters die onder de grenswaarden zitten een standstill wordt gehanteerd. Tenzij zou blijken dat deze standstill op het niveau van de parameters niet volstaat om achteruitgang van de habitatvlek te voorkomen. In dat geval moeten strengere waarden gehanteerd worden, die de standstill op het niveau van de habitatvlek garanderen.

3) Lokaal gunstige staat van instandhouding bereikt

Wanneer de 100 hectare in een lokaal gunstige staat van instandhouding zijn, hanteert de passende beoordeling ter hoogte van deze 100 hectare nog steeds de grenswaarde voor het nagaan van de significantie.

Voor de habitatsnippers die buiten deze 100 hectare voorkomen, geldt ook in deze fase dat geen achteruitgang in de habitatsnippers kan worden getolereerd (standstill).

4) Regionaal gunstige staat van instandhouding bereikt

Wanneer de regionaal gunstige staat van instandhouding bereikt is, mag de behaalde gunstige staat niet ongedaan gemaakt worden.

Wanneer de impact zich ter hoogte van de habitatsnippers manifesteert, dient elke marginale afname geval per geval beoordeeld te worden op basis van het voorzorgsprincipe, zowel ten aanzien van de betrokken habitat types, als ook ten aanzien van de algemene beheerstrategie van het gebied en de implicaties voor het behoud van de integriteit van het gebied.

Algemeen referentiekader voor vermesting via lucht

Het algemeen referentiekader toegepast op de beslisregels voor vermesting via lucht wordt als volgt uitgedrukt:

referentiekader eutrofiëring

De betrouwbaarheid van de berekende overschrijdingen is bepaald door zowel onzekerheden in de kritische depositiewaarde als in de beschikbare data voor depositiemodellen. Verder wetenschappelijk onderzoek voor het optimaliseren van de kritische depositiewaarde, als voor depositiemodelleringen blijft noodzakelijk. Op basis van de vorderingen in het onderzoek wordt de praktische wegwijzer steeds geactualiseerd.

Stap 1. Baken de toetszone af

Idealiter is deze dezelfde als de toetszone van de Voortoets.

Stap 2. Instandhoudingsdoelstellingen, actuele habitats en zoekzones

Net zoals bij de Voortoets, wordt binnen de toetszone nagegaan welke (potentiële) habitats er voorkomen. Dit gebeurt door een onderzoek naar het voorkomen van:

  • De actuele voorkomende habitats;
  • De potentiële habitats: de voorlopige zoekzones waarbinnen de doelen kunnen gelokaliseerd worden;
  • De gelokaliseerde doelen conform het managementplan Natura 2000, …. In afwachting van managementplan 1.1 worden de voorlopige zoekzones gebruikt.

De Biologische waarderingskaart (BWK) en Natura 2000 Habitatkaart voor Vlaanderen zijn in shapefile-formaat downloadbaar via de website van Geopunt. Hier kunnen de actueel voorkomende habitats teruggevonden worden. De voorlopige zoekzonekaarten zijn raadpleegbaar via Geopunt. Meer informatie vind je in het document ‘Handleiding raadplegen zoekzones op Geopunt’ door hier te klikken.

Stap 3 Nagaan gevoeligheid

Binnen de toetszone wordt voor de (potentiële) habitats/voorlopige zoekzones nagegaan in hoeverre deze gevoelig zijn voor eutrofiëring.

In Bijlage zijn de KDW in kg N/(ha.jaar) voor eutrofiëring lucht te vinden voor ieder habitat. De gevoeligheid van een habitat of voorlopige zoekzone voor eutrofiëring lucht kan gecontroleerd worden aan de hand van deze lijst. Deze KDW worden gehanteerd in de Voortoets en in de Impactscoretool (zie verder). Hoe lager de KDW, des te gevoeliger het habitat voor eutrofiëring.

Voor habitats waarvan op basis van hun KDW aangenomen kan worden dat deze niet gevoelig zijn voor eutrofiëring, dient geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. De habitats met een KDW > 34 kg N/ha.jaar kunnen als niet gevoelig beschouwd worden.

In een passende beoordeling dient een overzicht gegeven te worden van de beschouwde (potentiële) habitats/voorlopige zoekzones binnen de toetszone en de relevante KDW. Dit overzicht moet in tabelvorm weergegeven worden.

Stap 4. Bepalen actuele hydrologische toestand en nagaan of deze aanvaardbaar is

4.1 Berekening bestaande milieudruk

In het kader van de Convention on Long-Range Transboundary Air Pollution (CLRTAP) en van de Vlaamse milieu- en natuurrapportering monitoren zowel de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) als het INBO concentraties van verzurende en vermestende stoffen in Vlaanderen en berekenen ze de bijhorende deposities. Zowel VMM als INBO gebruiken daarbij meetstations verspreid over Vlaanderen. De meest recente meetgegevens zijn terug te vinden op www.vmm.be. Daarnaast gebruikt de VMM het atmosferisch transport- en dispersiemodel VLOPS (‘Vlaams Operationeel Prioritaire Stoffen’-model) voor het gebiedsdekkend opvolgen van de depositie en zijn ruimtelijke spreiding (VMM 2015. “Luchtkwaliteit in Vlaanderen: Jaarverslag Immissiemeetnetten – 2014”).

Het VLOPS-model berekent met een ruimtelijke resolutie van 1x1 km2 de jaargemiddelde concentraties en jaartotale deposities van verzurende en vermestende stoffen op basis van ruimtelijk verdeelde binnen- en buitenlandse emissiegegevens, meteoparameters en landgebruik. Via het VLOPS-model wordt dus de bestaande milieudruk weergegeven. Jaarlijks worden de meteogegevens van het afgelopen meetjaar en recentere emissiegegevens toegevoegd en - indien beschikbaar (dit hangt af of het RIVM in Nederland, de ontwikkelaar van het OPS-model waarop VLOPS gebaseerd is, updates heeft) - updates aan het VLOPS-rekenhart doorgevoerd. Voor de emissiegegevens geldt niet dat zij steeds betrekking hebben op het afgelopen meetjaar. Meestal zit daar ongeveer 2 jaar tussen. Zo zijn voor berekeningen met VLOPS15, de versie van het VLOPS-model in 2015, de emissiegegevens uit 2012 gebruikt. Voor de Impactscoretool zitten de meest actuele VLOPS-berekeningen als achtergrondkaarten (achtergronddeposities) in de tool.

4.2 Berekening van de doelafstand per habitatvlek

Deze doelafstand wordt bepaald door een vergelijking te maken tussen de bestaande milieudruk voor stikstofdepositie binnen de ‘toetszone’ en de KDW’s van de (potentiële) habitats binnen de ‘toetszone’.

Binnen de ‘toetszone’ wordt de huidige milieudruk bepaald door gebruik te maken van de resultaten van het VLOPS-model. Door een vergelijking te maken van de huidige milieudruk (het berekende jaartotaal van de vermestende depositie uit het VLOPS-model) en de grenswaarde (KDW) van de (potentiële) habitats/voorlopige zoekzones binnen de toetszone is de milieugebruiksruimte voor deze milieudruk (“doelafstand”) per individuele habitatvlek te bepalen.

De overschrijdingskaart stikstofdeposities geeft per habitat/voorlopige zoekzone de overschrijding van de KDW weer. Duiding omtrent deze kaart staat beschreven in bijlage. De stikstofoverschrijdingskaart is ter beschikking via de website www.natura2000.vlaanderen.be of via deze link.

Om een beeld te geven van de huidige problematiek, dient in de passende beoordeling een weergave van de stikstofoverschrijdingskaart opgenomen te worden. Via een uitsnede van deze gegevens wordt in het rapport omtrent de passende beoordeling cartografisch en/of in een tabel een overzicht gegeven van de doelafstand van de huidige milieudruk ten opzichte van de KDW voor alle voorkomende (potentiële) habitattypen/voorlopige zoekzones binnen de ‘toetszone’.

Vervolgens wordt nagegaan in hoeverre de specifieke bijdrage van het plan of project relevant is tot een eventuele overschrijding van de KDW.

Stap 5. Berekening impact van het geplande initiatief

Binnen de ‘toetszone’ wordt nagegaan wat de bijdrage is van de eigen depositie relatief tot de KDW voor elk (potentieel) habitattype. Dit wordt gedaan door de deposities die uit depositie-modellering komen, op te tellen bij de basiskaart (achtergronddepositie), met correctie op dubbeltelling (voor meer informatie over de dubbeltellingscorrectie klik hier). De kwantificering van de depositie kan gebeuren door het inzetten van een lokaal dispersiemodel. Het MER-richtlijnenboek “lucht” geeft aan welke methoden gehanteerd kunnen worden voor het bepalen van de emissies van een project of plan en het berekenen van het effect. Ook het MER-richtlijnenboek "landbouwdieren" geeft berekeningsmethoden weer. Bij het weergeven van de berekeningen/modelleringen in het rapport omtrent de passende beoordeling, is het van belang de aannames in de berekeningen/modelleringen duidelijk weer te geven. Het betreft onder meer het oplijsten van de emissiefactoren, de bronvermelding ervan en de reductiefactor bij milderende maatregelen.

Vervolgens wordt de output van het gehanteerde dispersiemodel in GIS binnengebracht om vervolgens per habitatpolygoon te toetsen waar een totale depositie (gemodelleerde depositie van plan of project + achtergronddepositie) hoger is dan de KDW.

Er wordt hierbij eerst een buffer gelegd van 50 m doorsnede rond de coördinaten van de emissiepunten. Hierin worden geen impactscores berekend en wordt een nulwaarde weergegeven. Binnen deze buffer is de onnauwkeurigheid van de gebruikte modellen namelijk te groot.

Alle habitattypes waar een impact op bestaat, behalve die binnen de al vermelde buffer van 50 m, worden in rekening gebracht. Hierbij is het van belang ook rekening te houden met de habitats die in de habitatkaart als een complex gekarteerd werden. Een complex is een kartering die bestaat uit meer dan één (vlakvormige) karteringseenheid per kaartvlak. Een kartering door middel van complex wordt enkel toegepast indien de samenstellende karteringseenheden effectief in voldoende grote oppervlakte afzonderlijk aanwezig zijn. De volgorde van de verschillende karteringseenheden in een complex geeft de reële volgorde weer qua oppervlakteaandeel waarbij oppervlakte eenh1 > oppervlakte eenh2 > oppervlakte eenh3. Enkel indien een van deze karteringseenheden voor minder dan 20% in dat complex voorkomt, hoeft er geen rekening mee gehouden te worden. Vb. habitattype 1: 60%; habitattype 2: 30%; habitattype 3: 10% => er wordt enkel rekening gehouden met de KDW’s van habitattype 1 en 2; niet van 3 gezien dit minder dan 20% voorkomt.

Voor de betreffende zones wordt de verhouding van de depositie door het project of plan met de KDW berekend (aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW, in de Impactscoretool wordt dit ook benoemd als ‘significantieklasse’ ). Het aandeel tot de depositie wordt bepaald na een gecumuleerde impactoppervlakte van 401 m². Hierdoor wordt vermeden dat de berekende impact gebaseerd wordt op snippers. Dit wordt geduid aan de hand van onderstaand voorbeeld:

" "

Wanneer de gecumuleerde oppervlakte een oppervlakte van 401 m2 overschrijdt, kennen we de impactscore, met name 49 % in dit geval. Dit is de eigenlijke bijdrage van het project waarop beoordeeld moet worden.

In de Impactscoretool gebeuren voorgaande stappen en is de huidige milieudruk reeds geïntegreerd. De totale depositie geeft de actuele milieudruk weer, inclusief de berekende projecteigen depositie, dit voor zowel de actuele habitats als de voorlopige zoekzones. Een afzonderlijke berekening is dan niet meer nodig.

De effecten dienen aldus begroot en gemodelleerd te worden. Hiervoor zijn gegevens over volgende parameters nodig:

5.1 Emissiefactoren

Om de effecten te kunnen begroten, dient eerst geweten te zijn wat de totale emissie is van een bron of een set van bronnen. Om dit te begroten, kan gebruik gemaakt worden van emissiefactoren. Een emissiefactor geeft weer hoeveel luchtverontreiniging vrijkomt bij een bepaalde activiteit. De activiteit wordt uitgedrukt onder de vorm van een gewicht, volume, afstand of duurtijd, bv. megajoule verbrande brandstof, een dieraantal, een km weg, een hoeveelheid geproduceerd goed, een stookinstallatie die 5000 uren draait, … De luchtverontreiniging die vrijkomt wordt uitgedrukt als g, kg, ton, … van een bepaalde atmosferische polluent (bv. ammoniak, zwaveldioxide, …).

De emissiefactoren voor de veeteeltsector, zijn terug te vinden als afzonderlijke bijlage bij het Richtlijnenboek Landbouwdieren. ILVO houdt deze lijst up-to-date. De emissiefactoren uit deze lijst worden gehanteerd in de Impactscoretool (in de Voortoets wordt steeds gewerkt met een worst-case-benadering van de emissiefactor per diercategorie en wordt bijgevolg de hoogste genomen, waardoor verdere verfijning in de passende beoordeling aangewezen is).

De emissiefactoren voor wegverkeer zijn standaard reeds opgenomen in het rekenmodel IFDM-Traffic. Deze zijn ontleend aan de emissiefactoren van de COPERT IV methodologie (COPERT 4: Estimating emissions from road transport, COPERT 4 software van The European Environment Agency — www.eea.europa.eu). In een passende beoordeling zullen de emissiefactoren zoals voorzien in IFDM-Traffic toegepast worden.

Voor emissiefactoren van industrie en BBT wordt verwezen naar de EMIS website (http://emis.vito.be/). In het MER-richtlijnenboek “lucht” wordt ook aangegeven hoe industriële emissies berekend moeten worden. Voor NOx van industriële installaties kan gewerkt worden met de VLAREM grenswaarden of met de emissie zoals het bedrijf die middels metingen vaststelt. Daarbij dient gerekend te worden met de emissie zoals die optreedt onder de meest actuele situatie die (mits het bijschalen in geval van uitbreiding van de activiteiten) representatief is voor de toekomstige situatie. Ook het recente EMEP/EEA air pollutant emission inventory guidebook 2016 van de Europese commissie kan gebruikt worden. Het technische rapport kan via de website van de European Environment Agency gevonden worden via een download-link. Aangaande het reductiepercentage dat voor NOx-emissiereducerende maatregelen mag toegepast worden, kan verwezen worden naar de EMIS website. Hierop zijn enerzijds de BBT-studies terug te vinden waarin het effect van specifieke emissiereducerende technieken wordt gekwantificeerd. Anderzijds is het mogelijk om de LUSS-tool te raadplegen. De LUSS-tool is een beslis-ondersteunend systeem dat kan helpen bij een eerste screening van mogelijke technieken om luchtverontreiniging op te lossen.

5.2 Depositiesnelheden

Bij de begroting van de effecten dient rekening gehouden te worden met de specifieke depositiesnelheid van een polluent.

Er wordt afgestapt van de depositiesnelheden per landgebruiksklasse, zoals vermeld in versie 2 van de praktische wegwijzer, alsook in het Richtlijnenboek Landbouwdieren. Dit geldt zowel voor landbouwemissies (van veehouderij), industriële emissies als verkeersemissies. De depositiesnelheden zijn nu afkomstig uit het VLOPS-model, welke ook in de Impactscoretool gebruikt worden. Jaarlijks worden nieuwe depositiesnelheden berekend en vervolgens geüpdatet in de Impactscoretool. De depositiesnelheden op 1x1 km2 zoals berekend door VLOPS worden door de VMM beschikbaar gemaakt via Mercator GDI en Geopunt (WCS-link voor GIS toepassingen is https://www.mercator.vlaanderen.be/raadpleegdienstenmercatorpubliek/hh/…).

5.3 Natte en droge depositie

Het richtlijnenboek lucht definieert natte depositie als “oplossen van gassen in regendruppels ten gevolge van fysische of chemische absorptie en bezinken”. Het wordt ook omschreven als “uitregenen”. Droge depositie is dan adsorptie van gassen aan de bodem en aan vegetatie. Op de website van de VMM wordt natte depositie beschreven als het resultaat van uitregenen of uitwassen. Droge depositie is het afzetten van een verontreinigende stof op een oppervlak. Zie ook: https://www.vmm.be/lucht/verzuring-en-vermesting/depositie. In de Impactscoretool wordt rekening gehouden met zowel natte als droge depositie.

5.4 Berekening van depositie aan de hand van modellen

Het model voor de berekening van de depositie van een activiteit hangt af van het type van activiteit:

  • Verkeersemissies worden berekend met het IFDM-Traffic model;
  • Voor dispersiemodellering voor scheepvaart is momenteel Pluim Vaarweg  aangewezen als model;
  • De overige depositieberekeningen worden bij voorkeur berekend met de online toepassing Impactscoretool.
5.4.1 Berekeningen via de Impactscoretool

Dit model wordt online ter beschikking gesteld op de website www.milieuinfo.be/impactscore. De Impactscoretool laat toe om X,Y-coördinaten, dierenaantallen en stalsystemen op te geven waarmee een berekening van de NH3 stalemissies uitgevoerd wordt. Het opgeven van meerdere stallen met individuele X- en Y-coördinaten is mogelijk. De diercategorieën en emissiefactoren zijn conform de meest recente lijst met geactualiseerde emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijn stof van de bijlage Richtlijnenboek Landbouwdieren. Daarnaast kunnen de details van het ventilatiesysteem van de stal(len) gespecificeerd worden om de verspreiding en depositie van de NH3 emissies zo correct mogelijk te berekenen. Indien deze inputdata niet beschikbaar zijn, wordt teruggevallen op de voorgestelde standaardwaarden. Naast gegevens over stallen, kunnen ook industriële stookinstallaties ingegeven worden. Bijkomend is een vrije ingave van puntbronnen met een N-uitstoot (NOx of NH3) eveneens mogelijk in de tool.

De toe te passen standaardwaarden inzake stalemissies werden vastgelegd in een afsprakennota en zijn terug te vinden op de website van het dienst MER: https://www.lne.be/richtlijnenboeken-handleidingen-en-codes-van-goede-praktijk.

De tool berekent vervolgens op basis van een IFDM-berekening de bijdragen van de NH3- en NOx-emissies van de exploitatie of van het voorgestelde project aan de kritische depositiewaarde voor het meest problematische punt van de actuele habitats én voor de zoekzones in de speciale beschermingszone.   

De resultaten van de berekening worden verwerkt in een rapport waarvan de link  via mail wordt opgestuurd naar het opgegeven mailadres. In de berekening  worden de gebruikte parameters en de berekende impactscores van de exploitatie op de actuele habitats en de zoekzones weergegeven.

De link naar de resultaten van de berekening met de Impactscoretool dient  toegevoegd te worden bij de passende beoordeling. Het resultaat van de Impactscoretool kan dienst doen als passende beoordeling indien geen andere effectengroepen en activiteiten (zoals vb. grondwaterwinning) moeten onderzocht worden.

5.4.2 Berekeningen voor verkeer en scheepvaart

Verkeersemissies worden berekend met het IFDM-Traffic model. Het IFDM-Traffic model laat echter niet toe om deposities te berekenen, enkel NO2 concentraties. Een omrekening naar depositie is aanvullend noodzakelijk. Dit kan gebeuren door eerst te delen door 0.6 zodat NOx-concentraties verkregen worden (cfr. RLB Lucht). Daarna wordt er vermenigvuldigd met de depositiesnelheden voor NOx op 1x1 km²-niveau. Ook het model CAR-Vlaanderen kan als dispersiemodel worden gebruikt.

Voor dispersiemodellering van scheepvaart is momenteel Pluim Vaarweg  aangewezen als model. Hoe tijdelijke bronnen moeten berekend worden, is terug te vinden in het MER-richtlijnenboek recreatie. Eventuele extra milderingsscenario’s worden ook doorgerekend.

5.4.3 Weergave van resultaten

Modelmatig wordt de totale bedrijfsspecifieke emissie en bijdrage aan depositie berekend voor de eventuele vergunde toestand (bij hervergunning) en de geplande toestand (bij uitbreidingen). Bij uitbreidingen worden steeds de totalen (vergund en uitbreiding) weergeven. Eventuele extra milderingsscenario’s worden ook beschreven in het rapport omtrent de passende beoordeling. Er wordt voor elke situatie tevens aangegeven wat de totale emissie is van het bedrijf.

De resultaten van de berekeningen/modelleringen moeten ruimtelijk weergegeven worden via contouren of berekende punten en tevens weergegeven in een overzichtelijke tabel. Ook dienen de modelparameters die ingegeven werden vermeld te worden.

Naast de absolute waarden van de depositie worden ook de procentuele waarden gegeven ten opzichte van de KDW.

Op basis van de GIS-bestanden die gegenereerd worden door de Impactscoretool kunnen overzichtelijke tabellen en kaarten met contourlijnen opgenomen worden in de passende beoordeling. Belangrijk is om het gemodelleerde resultaat van de Impactscoretool in de passende beoordeling uit te zetten ten aanzien van het significantiekader zoals verderop beschreven. Op verschillende kaarten en via tabellen wordt per gridcel of habitatpolygoon de bedrijfsspecifieke bijdrage weergegeven (huidige en gewenste toestand), achtergronddepositie in vergelijking met de KDW van het habitat (=stikstofoverschrijdingskaart), de KDW van het habitat, en de procentuele bijdrage van huidige en gewenste toestand t.o.v. de KDW. De gepresenteerde resultaten worden vervolgens getoetst aan het significantiekader.

Indien geen gebruik gemaakt werd van de Impactscoretool voor de effectberekening, dient een kaart gemaakt te worden met de contouren van de procentuele bijdragen ten opzichte van de KDW (en niet van de absolute waarden).

5.4.4 Berekenen van cumulatieve effecten

Voor deze effectgroep wordt de berekening van de cumulatieve effecten vervangen door een toets aan de actuele milieudruk door stikstofdepositie (cfr. berekening bestaande milieudruk). Een berekening van cumulatieve effecten is immers weinig zinvol, gegeven de hoge achtergronddeposities en de afstand waarover effecten van individuele activiteiten doorwerken. De actuele milieudruk is zelf de resultante van de reële cumulatieve effecten en ze benadert deze dus veel dichter dan mogelijk is via een doorrekening van cumulatie met een selectie aan vergunningen.

Concreet betekent dit dat binnen de toetszone wordt nagegaan in welke mate de milieudruk door stikstofdepositie van het plan of project, vermeerderd met de achtergronddeposities, de kritische depositiewaarde van de voorkomende (potentiële) habitats of zoekzones al dan niet overschrijdt.

Stap 6. Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

Het significantiekader dat wordt gehanteerd is gericht op de continuïteit van de vergunningverlening, waarbij gewaarborgd wordt dat de milieudruk niet verder toeneemt en dat uitzonderlijk hoge bijdrages niet worden bestendigd.

Indien uit de Depositiescan blijkt dat er binnen de toetszone in de SBZ geen (potentiële) habitats of voorlopige zoekzones voorkomen, dan kan er geoordeeld worden dat voor de voorliggende activiteit er geen betekenisvolle aantasting is van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone.

Indien uit de Depositiescan blijkt dat er binnen de toetszone wel (potentiële) habitats of voorlopige zoekzones voorkomen, dan wordt voor de beoordeling van het effect een onderscheid gemaakt tussen twee situaties, rekening houdend met de bovenstaande beslisregels rond KDW en het meenemen van bestaande milieudruk:

  • De ‘actuele’ milieudruk binnen de toetszone is lager dan de kritische depositiewaarde welke overeenkomt met de KDW van het (potentiële) habitat.
  • De ‘actuele’ milieudruk binnen de toetszone is hoger dan de kritische depositiewaarde welke overeenkomt met de KDW van het (potentiële) habitat.

De toetsing gebeurt op het niveau van een habitatvlek. Steeds is het meest gevoelige habitattype maatgevend.

 

6.1 De ‘actuele’ milieudruk is lager dan de KDW

Hervergunning

Indien uit de Depositiescan blijkt, dat er binnen de toetszone wel (potentiële) habitats of voorlopige zoekzones voorkomen, maar de bestaande milieudruk, inclusief die van de te hervergunnen activiteit, binnen de toetszone voor alle (potentiële) habitats/ voorlopige zoekzones lager is dan de KDW, dan kan voor een hervergunning geoordeeld worden dat er voor deze effectgroep geen betekenisvolle aantasting te verwachten is op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone. In deze benadering dienen hervergunningen te worden begrepen als het bestendigen van de reeds vergunde activiteit, zonder dat de productiecapaciteit wordt verhoogd en dus zonder toename van de milieudruk t.o.v. de actuele vergunde situatie. Concreet betekent dit het bestendigen van de emissie van de vergunde toestand.

Uitbreiding

Indien de bestaande milieudruk lager is dan de KDW, is er in principe ruimte voor uitbreidingen, tot zover de kritische depositiewaarde nergens binnen de toetszone wordt overschreden.

Om vervolgens na te gaan of de uitbreiding van een installatie mogelijk is, moet de berekende depositie van het bedrijf inclusief uitbreiding opgeteld worden met de bestaande milieudruk en vervolgens getoetst worden aan de KDW van de voorkomende habitats. De KDW mag hierbij niet overschreden worden.

Schematisch kan dit als volgt weergegeven worden:

vermesting lager dan KDW

 

 

6.2 De ‘actuele’ milieudruk is hoger dan de KDW

Indien de actuele milieudruk hoger is dan de KDW mag de huidige milieudruk in principe niet verder toenemen.

In het significantiekader wordt er een onderscheid gemaakt tussen emissiebronnen van NH3 (vnl. landbouwbedrijven) en NOx (vnl. industrie). Er is nog geen significantiekader ontwikkeld voor verkeersemissies (vnl. uitstoot NOx).

In het voorgestelde significantiekader, zoals opgenomen in de Nota Instandhoudingsdoelstellingen (IHD) en Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (VR 2016 3011 DOC.0725/1 QUINQUIES), wordt er een koppeling gemaakt met de vergunbaarheid van de activiteit – zoals beoordeeld binnen het dossier van de vergunningverlening. Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de passende beoordeling.

De passende beoordeling gaat na of de activiteit leidt tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Om te beoordelen of er een betekenisvolle aantasting veroorzaakt wordt vanuit de effectgroep eutrofiëring vanuit de lucht, wordt een ‘significantiekader’ als leidraad gebruikt. In onderstaand schema betekent ‘niet significant’ dus dat de activiteit geen betekenisvolle aantasting veroorzaakt vanuit de effectgroep eutrofiëring via lucht. In het onderstaand schema betekent ‘significant’ dat de activiteit een betekenisvolle aantasting van de standplaatskwaliteit zal teweegbrengen voor wat betreft de effectgroep eutrofiëring via lucht.

Significantiekader voor NH3 bij vergunningsplichtige activiteiten

Definitie van ‘vergunningsplichtige activiteit’ volgens het Natuurdecreet, en als dusdanig vermeld in artikel 36ter§3 m.b.t. de figuur ‘passende beoordeling’: een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is (Artikel 2, 46° van het Natuurdecreet).

In deze benadering dienen hervergunningen te worden begrepen als het bestendigen van de reeds vergunde activiteit, zonder dat de productiecapaciteit verhoogt. Vergunningen waarbij tevens een investering wordt uitgevoerd met het oog op het verhogen van de capaciteit vallen onder de noemer uitbreiding.

Volgens het milieuvergunningendecreet is “uitbreiden” het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft. 

  • aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW < 5%

Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat minder is dan 5%, dan wordt beoordeeld dat deze bijdrage niet significant is. Dit geldt zowel voor hervergunningen als voor uitbreidingen als nieuwe inplantingen. Onder de 5% van de kritische depositiewaarde mag de bijdrage van verzurende en vermestende stikstof niet hoger worden dan 5%.

  • aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 5% en < 50%

Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat groter of gelijk is aan 5%, maar kleiner dan 50% dan zijn er verschillende mogelijkheden , afhankelijk van een aanvraag tot (her)vergunning met uitbreiding van de emissies, dan wel binnen de huidige emissies.

Indien het een (her)vergunning of een uitbreiding betreft, waarbij de totale emissie niet stijgt t.o.v. de huidig vergunde situatie, dan wordt beoordeeld dat de bijdrage niet significant is. Indien er evenwel een stijging plaatsvindt t.o.v. de huidig vergunde situatie of indien het een nieuwe inplanting betreft, dient de individuele passende beoordeling uitspraak te doen over de significantie. Indien blijkt dat er een risico op betekenisvolle aantasting bestaat, geldt een significant effect en kan de (her)vergunning met stijging van emissies niet gerealiseerd worden.

  • aandeel voorziene depositie ten opzichte van KDW ≥ 50%

Indien het aandeel van de depositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde van het getroffen habitat gelijk is aan of meer is dan 50%, dan wordt beoordeeld dat deze bijdrage steeds significant is.

significantiekader NH3

x stelt in deze tabel de bijdrage aan de KDW door de voorziene depositie voor zoals deze bij een vergunningsaanvraag voorligt (rekening houdend met de milderende maatregelen die in het project opgenomen zijn).

Ter verduidelijking een voorbeeld: uitbreiding

Stel dat in de actueel vergunde toestand het bedrijf een ammoniakemissie heeft van 16.000 kg NH3/jaar en binnen het significantiekader “bijdrage tot KDW ≥ 5% en < 50%” valt, dan mag in de nieuwe toestand met uitbreiding van de capaciteit de totale ammoniakemissie van het bedrijf niet groter zijn dan 16.000 kg NH3/jaar. Indien de aanvrager er niet in slaagt om via emissiereducerende technieken ≤ 16.000 kg NH3/jaar te blijven, dan zal slechts in uitzonderlijke situaties een vergunning kunnen verleend worden en enkel indien de passende beoordeling aantoont dat er geen significant effect te verwachten valt.

Stel dat de actueel vergunde toestand van het bedrijf een ammoniakemissie heeft van 21.000 kg NH3/jaar en binnen het significantiekader van bijdrage tot KDW ≥ 50% valt, dan is deze bijdrage significant. In dat geval zal voor een uitbreiding of hernieuwing geen vergunning kunnen verleend worden .

Significantiekader voor NOx bij vergunningsplichtige activiteiten

Voor stikstofoxides (NOx) wordt een ander significantiekader toegepast, omdat de NOx-emissies, zeker voor wat industriële emissies aangaat, minder doorwerken op korte afstand van de bron en zich dus in hoofdzaak bij de achtergronddeposities voegen. Deze sturing gebeurt geval per geval, vanwege de grote diversiteit en complexiteit van industriële installaties. Het geldende kader voor NOx werd niet aangepast door de beslissing van 30 november 2016. Wel werd gespecifieerd dat het kader wordt aangehouden voor de sectoren energie, industrie en landbouw. Voor de sectoren mobiliteit en handel en diensten worden nog significantiekaders uitgewerkt. Inzake mobiliteit betreffen de projecten waarvoor een passende beoordeling nodig is, hoofzakelijk aanpassingen aan bestaande wegen of aanleg van nieuwe wegen. De NOx-emissies spreiden zich op een andere wijze dan bij industriële emissies aangezien ze dichter bij de grond uitgestoten worden. Tot een nieuw significantiekader is ontwikkeld, kunnen de kaders uit het Richtlijnenboek lucht richting gevend zijn voor de huidige dossiers.

Het significantiekader NOx is:

significantiekader NOx

Een substantiële daling moet bepaald worden geval-per-geval in functie van de specifieke situatie van het bedrijf.

De significantiekaders worden hieronder nogmaals schematisch weergegeven.

schema significantiekader NH3schema significantiekader NOx

 

Indien zowel NH3 als NOx uitgestoten wordt, dan berekent de Impactscoretool de totale depositie en totale bijdrage door het project. Volgend afwegingskader kan dan toegepast worden, rekening houdend met de afzonderlijke afwegingskaders:

  • x < 5%: niet significant
  • 5 ≤ x < 50%:
    • hervergunning / uitbreiding zonder stijging NH3 emissie en substantiële daling NOx: niet significant;
    • wel stijging NH3 of een nieuw bedrijf, maar gunstige PB en substantiële daling NOx: niet significant;
    • geen substantiële daling NOx mogelijk maar PB beschrijft dat substantiële daling van de vermestende depositie wel mogelijk is door substantiële daling van NH3 emissie: niet significant. 
  • x ≥ 50%: significant

In hoeverre kan gemilderd worden?

Hier worden de milderende maatregelen opgenomen, die momenteel reeds gevalideerd zijn. Indien er nieuwe emissie-reducerende technieken ontwikkeld en gevalideerd worden kunnen deze opgenomen worden in latere versies van deze praktische wegwijzer.

1. Welke milderende maatregelen?

Voor landbouw-veeteelt komen enkel de maatregelen die opgenomen zijn in de AEA-lijst en de maatregelen opgenomen in de goedgekeurde PAS-lijst in aanmerking.

AEA-lijst

De bouw van emissiearme stallen is een belangrijke pijler van het Vlaams ammoniakreductiebeleid. Sinds 2003 moeten nieuwe varkens- en pluimveestallen worden gebouwd volgens één van de technieken die worden bepaald in een lijst van stalsystemen voor ammoniakreductie. De lijst met ammoniakemissiearme stalsystemen die de ammoniakemissie uit de stal met 40 tot 50% verminderen, werd opgenomen in een ministerieel besluit. Meer informatie vindt u hier.

PAS-lijst

Voor de veeteeltsector wordt er een dynamische, doorlopend geactualiseerde lijst met technieken opgesteld voor ammoniakreductie in het kader van PAS. Deze zogenaamde PAS-lijst verzamelt emissie-reducerende technieken (met reductie vanaf 10%) die effectief werden bevonden en gaat dus breder dan de emissiearme technieken (cfr. AEA-lijst met +/- 50% of meer emissiereductie). Deze lijst bevat niet enkel staltechnieken maar ook voedings- en managementtechnieken en ook reducerende technieken voor rundvee. De PAS-lijst evenals de combinatielijsten kunnen geraadpleegd worden via de website van het ILVO. Belangrijk is om eerst onderstaande voorwaarden te lezen met betrekking tot het gebruik van de PAS-lijst:

- De staltechnieken die op de lijst van ammoniak-emissiearme stalsystemen staan (AEA lijst), voldoen ook aan de voorwaarden van de PAS-lijst. Ze zijn niet expliciet opgenomen in de PAS-lijst, maar deze staltechnieken kunnen ook door de landbouwer gekozen worden;

- Voor nieuwbouw stallen of voor bestaande stallen met het karakter van een nieuwbouw voor varkens en pluimvee zijn de bepalingen betreffende “bijkomende constructie- en gebruiksvoorwaarden voor stallen met betrekking tot de beperking van ammoniakemissie”, als vermeld in artikel 5.9.2.1bis van het Vlarem II, onverkort van toepassing;

- Deze PAS-lijst betreft geen lijst van BBT technieken. Het zijn maatregelen die kunnen getroffen worden om de ammoniakemissie uit stallen te doen dalen. Welke techniek de best beschikbare techniek is voor een bedrijf moet case per case geëvalueerd worden;

- De terminologie zoals gebruikt in onderstaande PAS-lijst dient begrepen te worden zoals omschreven in de definities van Hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ van Bijlage 1 ‘Lijst van ammoniakemissiearme stallen’ van het ministerieel besluit van 31 mei 2011 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen, in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het Vlarem II. Bijkomend dient te worden verstaan onder:

  • dichte vloer: vloer zonder afvoeropeningen voor mest of urine;
  • mestschuif: een schuif voor het transport van mest op een loopvloer (dichte vloer of roostervloer) of voor het transport van mest op de vloer van het mestkanaal. De schuif wordt aangedreven door een elektromotor;
  • mestrobot: een autonoom rijdende robot uitgerust met een schuif (en optioneel met watertank en sproeidoppen) voor het verwijderen van mest op een loopvloer met roosters. De mestrobot is aangedreven door in een laadstation oplaadbare batterijen;

- Als maatregelen van de PAS-lijst worden gecombineerd, geldt het reductiepercentage van de meest reducerende maatregel voor het geheel, tenzij de combinatie valt onder een van de categorieën vermeld in de combinatietabellen.

Beschikbare reductie-technieken

Het BBT-kenniscentrum (EMIS, VITO) en het ILVO inventariseert informatie in verband met milieuvriendelijke technieken en evalueert per bedrijfstak de best beschikbare technieken.

Het Vlaams Kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken (BBT-kenniscentrum) is een initiatief van het Vlaamse Gewest en het VITO. Het BBT-kenniscentrum verzamelt en verspreidt informatie over milieu- en energievriendelijke maatregelen in industriële processen, en selecteert de Beste Beschikbare Technieken voor verschillende sectoren (industrie, veeteelt, …). De BBT vormen een referentiepunt voor de milieuvergunningsvoorwaarden van bedrijven, zowel in Vlaanderen (VLAREM), als in Europa (Europese Richtlijn Industriële Emissies). Alle informatie van het BBT-kenniscentrum wordt beschikbaar gesteld via de site van EMIS: https://emis.vito.be/bbt. Daarbij is het de taak van de erkend deskundige lucht om het effect van de technisch beschikbare emissiereductiemaatregelen zo nauwkeurig mogelijk te begroten. Een door het BBT-kenniscentrum ontwikkelde databank geeft een overzicht van alle BBT en andere milieutechnieken die in de VITO BBT-studies en de Europese BBT-studies (BREFs) vermeld staan (https://emis.vito.be/nl/databank-bbt).

2. Hoe te beschouwen in de passende beoordeling?

Indien bij een projectbeschrijving al milderende maatregelen opgenomen zijn en deze in de vergunning opgenomen zullen worden, wordt met deze maatregelen reeds rekening gehouden bij de berekening van de emissie en depositie en worden deze niet afzonderlijk berekend.

Enkel als er daar bovenop nog milderende maatregelen beschouwd moeten worden, zijn afzonderlijke berekeningen noodzakelijk. Indien extra milderende maatregelen doorgerekend zijn, worden de verschillende scenario’s met elkaar vergeleken. Hun effect wordt op dezelfde wijze in beeld gebracht als dat van het project voor mildering.

Deze extra milderende maatregelen, in functie van reductie van de emissie door het plan of project, dienen duidelijk geïdentificeerd te worden conform de ter beschikking gestelde lijst en moeten opgenomen worden in de vergunningsaanvraag.

Welke monitoring is aangewezen?

Er zijn verschillende technieken van monitoring van stikstofdepositie en de impact ervan. In het kader van een individuele vergunning worden er geen bijkomende monitoringsverplichtingen opgelegd voor het meten van de gevolgen van stikstofdepositie in de SBZ gebieden. Wel wordt verwacht dat milderende maatregelen uitgevoerd worden en doeltreffend zijn. Dit veronderstelt een goede opvolging van de werking van de installaties, mede via datalogging.

Bij sommige installaties, zoals luchtwassers, zijn bij installatie onderhoudscontracten opgenomen om de efficiëntie van het systeem te garanderen.

Daarnaast dienen de bevoegde instanties op te volgen of vergunde milieuvergunningsvoorwaarden nageleefd worden.

Voorbeeld

In deze praktische wegwijzer is geen voorbeeld uitgewerkt.

Referenties

Adriaens D. 2014, Afbakenen voorlopige zoekzones voor de habitattypen binnen SBZ-H, INBO, Nota voor ANB Beleid.

ANB 2015. Geschikte uitbreidingslocaties voor Europees beschermde habitats en soorten: Voorlopige IHD Zoekzones, versie 0.2. Raadpleegbaar via Geopunt.be

Anoniem 2015. N-overschrijdingskaart versie 201509. Habitattypen waarvoor de kritische depositiewaarde is overschreden. Gebaseerd op het VLOPS -model 2015, op de vectoriële habitatkaart (toestand 2014; met gerichte aanpassingen van augustus 2015) en de geschikte uitbreidingslocaties voor Europees beschermde habitats en soorten (voorlopige IHD-zoekzones - versie 0.2). Digitaal geografisch bestand VITO.

Backes Ch. W., van Dobben H.F., Poortinga M.A., Stikstofdepositie en Natura 2000 – Een rechtsvergelijkend onderzoek, Universiteit Maastricht/Alterra, 6 mei 2011.

Bobbink R., Hettelingh J.P., (eds.), 2011, Review and revision of empirical critical loads and dose-response relationships, Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM).

Brusselman E. (ILVO), Van Gansbeke S. (DL), Vandaele L. (ILVO) & Derden A. (VITO), 2014, Werkgroep Emissiereductie PAS: Verkennende inventarisering van reducerende maatregelen voor ammoniakemissie in de veehouderij, Referentiewerking Milieutechniek, Nota N/2014/01.

Cools N., Wils C., Louette G., Adriaens D. (2015). Habitat_2014_VLOPS_2014: N-overschrijdingskaart voor actueel aanwezige habitats op basis van de vectoriële habitatkaart (toestand 2014), volgens het VLOPS -model 2014. Digitaal geografisch bestand Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Deutsch F., Lefebvre W., Peelaerts W., Van Keer I., Decorte L., Gobin A., 2013, Voortoets, Module 3, Inhoudelijke uitwerking van module 3 in de online toepassing van de Voortoets: het bepalen van de reikwijdte van effecten voor de indirecte effectgroepen – Thema Lucht, VITO, in opdracht van ANB (2013/RMA/R/119).

De Saeger S., Guelinckx R. , Van Dam G., Oosterlynck P., Van Hove M., Wils C. & Paelinckx D. (red.) (2014). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2014. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2014 (1698392). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 

De Saeger S., 2015. Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart - Toestand 2014 met PAS-maatwerk aanpassingen 2015. Advies Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.A.3343.

Hens M., Neirynck J., 2013, Kritische depositiewaarden voor stikstof voor duurzame instandhouding van Europese habitattypen in Vlaanderen, INBO, nota WBC.

Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J. , Hens M., 2012, Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse SBZ-H gebieden, INBO.R.2012.3, Studieopdracht ANB/2011/GGB/006.

Kok, A. Y.. Validatie koppeling VLOPS+IFDM voor de berekening van de stikstofdepositie in het kader van de PAS. Validatie koppeling VLOPS+IFDM. Rapport D.2015.0761.00.R001. DGMR Software B.V., i.o.v. VMM.

Lefebvre W. , Deutsch F., 2015, Onderzoek naar de koppeling van de luchtkwaliteitsmodellen VLOPS en IFDM in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), Studie uitgevoerd in opdracht van: Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht. 2015/RMA/R/18.

Meykens J., Vereecken H., 2001, Ontwikkeling en integratie van gevoeligheidskaarten voor verzuring en vermesting van ecosystemen in Vlaanderen, studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2000/01, K.U. Leuven en Bodemkundige Dienst van België.

Milieubeleidsplan 2011-2015, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (D/2011/3241/178).

MIRA (2013) Milieurapport Vlaanderen, Themabeschrijving Verzuring. Vancraeynest L., Vlaamse Milieumaatschappij, www.milieurapport.be.

Nota Programmatische Aanpak van Stikstofdeposities (PAS) (VR 2014 0404 DOC 0467-4TER S-IHD-besluiten - bijlage 0) (2).

Omzendbrief, 2014, Toepassing van de op grond van artikel 36ter §3 en §4, van het Natuurdecreet opgelegde beoordeling van vergunningsaanvragen betreffende projecten of activiteiten met mogelijke betekenisvolle effecten voor speciale beschermingszones VR 2014 0404 DOC.0467/5.

Overloop S., 2011, Milieurapport Vlaanderen. Achtergronddocument thema vermesting. Vlaamse Milieumaatschappij, www.vmm.be.

Poelmans L., Uljee I., Engelen G., Hens M., Adriaens D., Herr C., Lommaert L., Louette G., Wils C., Van Daele T. & Wouters J. 2012. Ecologisch en socio-economisch optimale allocatie van de instandhoudingsdoelstellingen in Vlaanderen. Studie uitgevoerd in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos. Concept eindrapport 2013/RMA/R/2, Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek en Instituut voor Natuur en Bosonderzoek.

Stuijfzand S., van Turnhout C., Esselink H. 2004, Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op heidefauna, basisdocument, Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Rapport EC-LNV nr. 2004/152 O.

T’jollyn F., Bosch H., Demolder H., De Saeger S., Leyssen A., Thomaes A., Wouters J., Paelinckx D., Hoffmann M., 2009. Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

Implementatie nota IHD, 2013.

van Dobben H.F., Bobbink R., Bal D., van Hinsberg A. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397. Alterra, WUR, Wageningen, Nederland.

VMM 2015. Luchtkwaliteit in Vlaanderen: Jaarverslag Immissiemeetnetten – 2014.

VMM 2016. Luchtkwaliteit in het Vlaamse Gewest. Jaarverslag Immissiemeetnetten – 2015. https://www.vmm.be/publicaties/luchtkwaliteit-in-het-vlaamse-gewest-2015

Wouters J., Adriaens D., Denys L., Gyselings R., Louette G., Stevens M., Paelinckx D., Hoffmann M., 2011, Definitie effectgroepen, INBO, Nota voor ANB Beleid.