Vijver © Thierry de Coninck

Ruimtebeslag (Eerdere versie van: 25 Oct 2019)

Inleiding

1. Doel en status van de praktische  wegwijzer

Deze praktische wegwijzer werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos, in overleg met thema-experten van de Vlaamse overheid (Instituut voor Natuur en Bosonderzoek) en besproken in de kwestiewerkgroep ‘IHD en passende beoordeling’ met betrokkenheid van maatschappelijke actors.

De praktische wegwijzer moet begrepen worden als de meest actuele leidraad voor het beoordelen van de significantie van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen in de speciale beschermingszones, meer bepaald de Habitatrichtlijngebieden. Deze praktische wegwijzer is geen richtlijn voor de beoordeling in Vogelrichtlijngebieden, noch voor VEN of voor beschermde soorten noch voor biologisch waardevolle en zeer waardevolle gebieden volgens de biologische waarderingskaart buiten Habitatrichtlijngebieden. Het is de bedoeling de praktische wegwijzer verder aan te vullen naarmate kennis en praktijk toenemen. De praktische wegwijzer is aldus een dynamisch gegeven.

Leeswijzer: in de tekst wordt steeds over het habitat gesproken. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling, het kan hier gaan over:

  1.  een actueel habitat, zoals we dit terugvinden op de habitatkaart;
  2. een potentieel habitat of actueel habitat opgenomen in de afbakening van de voorlopige zoekzones;
  3. een actueel of tot doel gesteld habitat opgenomen in een beheerplan of vastgelegd in de richtkaart van het managementplan.

In de praktische wegwijzer duiden we (a) en (b) aan door gebruik te maken van de terminologie (potentieel) habitat/voorlopige zoekzone. Een toelichting van de zoekzone kan teruggevonden worden in Bijlage.

Indien we in de praktische wegwijzer spreken over betekenisvolle aantasting of betekenisvol effect bedoelen we de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone zoals bedoeld in artikel 36 ter §3 van het Natuurdecreet.

2. Toepassingsveld van de effectgroep

De praktische wegwijzer ‘ruimtebeslag’ gaat enerzijds in op het directe oppervlakte-gebonden verlies van een habitat en anderzijds de kwaliteitsdaling van een habitat. Het ruimtebeslag wordt onderzocht als het een gevolg is van een antropogene ingreep (uitvoering van een plan, project, activiteit, programma – hetzij als aanvraag voor een nieuwe vergunning of uitbreiding van een bestaande vergunning); het betreft niet het ruimtebeslag als gevolg van een verandering in een natuurlijk proces.

Het ruimtebeslag kan van permanente aard zijn, waarbij door een ingreep (bv. aanleg van en parking) het habitattype rechtstreeks vernietigd wordt. De directe impact kan ook een tijdelijk karakter hebben, als bijvoorbeeld een habitat wordt vergraven en nadien terug in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. In de regel wordt direct ruimtebeslag uitgedrukt in een oppervlakte-eenheid. De indirecte gevolgen van ruimtebeslag op bv. de kwaliteit van de vegetatie- en structuurkenmerken van een habitat worden eveneens begrepen onder deze effectgroep. Het aanbrengen van een drempel in een rivier, kan bijvoorbeeld de snelheid van het water beïnvloeden waardoor de kwaliteitsparameters van de standplaatsen van het aquatisch habitat (3260) wijzigen. In dit geval is er sprake van een kwaliteitswijziging van het habitat.

De indirecte kwaliteitseffecten op een habitat, zoals vergrassing ten gevolge van verdroging/vernatting, verontreiniging of eutrofiëring via lucht, die aan bod komen in de andere praktische wegwijzers worden behandeld bij de respectievelijke effectgroepen en vallen dus niet onder de effectgroep ruimtebeslag.

Deze praktische wegwijzer behandelt enkel het ruimtebeslag van habitats. Ruimtebeslag voor soorten komt in deze tekst niet aan bod.

3. De link tussen Voortoets, project-MER en Passende beoordeling

Het risico of de waarschijnlijkheid op een betekenisvolle aantasting kan onderzocht worden in een voortoets. Het instrument Voortoets – bedoeld voor niet-merplichtige plannen, projecten of programma's - wordt ontwikkeld in een applicatie toegankelijk via het internet. Het is opgemaakt voor het doorlichten van vergunningsaanvragen op projectniveau. Is er via de Voortoets een indicatie dat er een risico of waarschijnlijkheid bestaat op een betekenisvolle aantasting van de (potentiële) habitats of voorlopige zoekzones in de speciale beschermingszone, dan is nader onderzoek aangewezen. Overleg met ANB is aangewezen om na te gaan of het risico op een betekenisvolle aantasting leidt tot verder onderzoek in de vorm van een passende beoordeling.

In de Voortoets doorlopen we volgende stappen:

  1. Waar vindt de ingreep plaats?
  • De aanvrager van de vergunning kan daartoe het projectgebied intekenen.
  1. Om welke ingreep gaat het?
  • De aanvrager doorloopt een vragenlijst die de ingreep karakteriseert.
  1. Welke effecten genereert ze?
  • Op basis van de projecteigenschappen of eigenschappen van het plan blijkt of er aanleiding kan zijn tot een effect.
  1. Is er potentieel een negatieve impact?
  • Op basis van de plan- of projecteigenschappen wordt een afstand bepaald waarbinnen er mogelijks een impact is. Indien deze contour (“toetszone”) een Speciale BeschermingsZone (SBZ) snijdt en indien in deze overlap een actueel habitat of een voorlopige zoekzone voorkomt, dat gevoelig is voor een bepaalde effectgroep, dan moet dit effect nader onderzocht worden. In eerste instantie is overleg met het ANB aangewezen, vooraleer de stap te zetten naar een passende beoordeling.

Omdat de Voortoets op www.voortoets.be in zijn huidige vorm beperkt is en geen volledige evaluatie op alle mogelijke effecten binnen Speciale Beschermingzones geeft, dient hier ook rekening mee gehouden worden bij de interpretatie van de rapportage van die Voortoets. Een groen rapport van de online tool slaat dan ook alleen op de effecten die deze tool heeft kunnen nagaan. Bovendien wordt er op dit moment via de tool alleen getoetst aan tot doel gestelde Europees te beschermen habitats en niet aan soorten die vallen onder de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

De Voortoets is ontwikkeld en uitgewerkt in nauw overleg met de doelgroepen. In consensus is afgesproken dat de Voortoets zich in hoofdzaak moet richten naar ‘gemiddelde en vaak voorkomende activiteiten’ in of in de buurt van Speciale Beschermingszones van het Natura2000-netwerk. De voornaamste reden hiervoor was dat de initiatiefnemer de Voortoets zelf moet kunnen uitvoeren. Daarom is zorgvuldig gelet op het laagdrempelig en toegankelijk karakter van de tool. Dit heeft meteen ook het voordeel dat een initiatiefnemer zijn project naar believen kan aanpassen en steeds met deze nieuwe situatie een voorzichtige doorrekening kan doen van de mogelijke gevolgen. Een MER daarentegen wordt door erkende deskundigen opgesteld binnen een vooraf bepaald traject. De expert kan het MER-plichtig project meteen met op maat ontworpen beoordelingsprocedures bekijken. Het is niet dat de Voortoets als tool in deze context niet bruikbaar zou zijn voor erkende MER-deskundigen. De tool blijft ook voor MER-plichtige activiteiten bruikbaar, maar er zijn door de gekozen focus op kleinschalige activiteiten ook op technisch vlak grenzen ingebouwd zodat de berekeningen die de Voortoets doet, niet meer betrouwbaar zijn in geval van grote installaties of inrichtingen. Bepaalde activiteiten die MER-plichtig zijn, liggen dus buiten het bereik van de Voortoets.

In een Passende beoordeling doorlopen we verder volgende stappen:

  1. Leidt de impact tot een betekenisvol(*) effect, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande, voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s? Dit wil zeggen: doet er zich een betekenisvol probleem voor met een bepaalde effectgroep en is de bijdrage van de vergunning daarin relevant?
  2. Kan het effect vermeden worden door – in volgorde van afweging – plan/projectaanpassing, wijziging uitvoeringsmethodiek en/of incorporatie van milderende maatregelen?
  3. Welke opvolging is aangewezen omtrent de naleving van de voorwaarden?

(*) In de betekenis van de definitie zoals omschreven in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (21/10/1997 artikel 2 30°: betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone)

In onderstaande praktische wegwijzer worden de stappen E, F en G toegelicht.

Indien de Passende beoordeling aangeeft dat er een betekenisvolle aantasting te verwachten is, dan kan de bevoegde overheid geen toestemming geven voor het plan/project. Deze praktische wegwijzer behandelt niet de uitzonderingsprocedure welke dient gevolgd om een plan/project/programma toch te laten doorgaan, ook al zijn er negatieve effecten te verwachten. Het alternatievenonderzoek, de dwingende reden van groot openbaar belang en de compensatie komen in deze wegwijzer dus niet aan bod.

Het verschil tussen Voortoets en Passende beoordeling wordt in volgend schema verduidelijkt:

Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

1. Algemeen

De Habitatrichtlijn vraagt om de potentiële effecten van activiteiten te toetsen aan de gunstige staat van instandhouding. Het Natuurdecreet vraagt om te toetsen aan de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Hieronder vallen: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III bij het Natuurdecreet.

Dit betekent dat ook de standplaatsfactoren op orde moeten worden gebracht, opdat de gunstige staat kan worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld: de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem of grondwater,… . Voor de effectbeoordeling van activiteiten, net als voor het bepalen van het beleid tot voorkoming van verslechtering van de habitats en tot behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de kwaliteit van de ecologische standplaatsvereisten, uitgedrukt in grenswaarden, een belangrijke indicator.

De ecologische standplaatsvereisten van een habitattype kunnen gekoppeld worden aan de staat van instandhouding (gunstig of ongunstig). De grens tussen beide (gunstig of ongunstig) is per standplaatsvereiste de grenswaarde. Een gunstig abiotisch bereik is het globale meetbereik van een milieuvariabele waarbinnen een habitattype duurzaam kan functioneren. De grenzen van dit bereik zijn de grenswaarden.

In volgend schema wordt uitdrukking gegeven aan de relatie tussen de staat van instandhouding en de grenswaarden.

In de effectenanalyse kan berekend worden in hoeverre de abiotische randvoorwaarde wijzigt. Om deze wijziging te kunnen beoordelen, wordt er getoetst aan de grenswaarde.

De huidige milieudruk bepaalt mee de staat van instandhouding van een habitat. Op basis van de grenswaarden voor de ecologische standplaatsvereisten van een habitat, kan dan ook bepaald worden wat de impact is van de huidige milieudruk en de (bijkomende) milieudruk van te vergunnen activiteiten. Er kan nagegaan worden welke marge er is om bijkomende milieudruk toe te laten.

De “kritische grenswaarde” is de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte of volume voor een bepaald habitattype of leefgebied zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn en/of het behoud/herstel naar de beoogde gunstige lokale staat van instandhouding gehypothekeerd wordt (bron: Implementatie nota IHD, 2013).

2. Welke grenswaarden qua gevoeligheid hanteren we voor ruimtebeslag?

Uitgangspunt is dat elk habitattype gevoelig is voor de effectgroep ‘ruimtebeslag’. Er zijn geen grenswaarden voorhanden die aangeven of het ene habitattype meer of minder gevoelig is voor ruimtebeslag. Dit betekent dat alle in Vlaanderen voorkomende habitattypen gevoelig zijn voor permanent ruimtebeslag. Dit betekent echter niet dat elke ingreep die permanent ruimtebeslag tot gevolg heeft, significant is. In geval van tijdelijk ruimtebeslag of een kwaliteitswijziging kan de impactevaluatie gedifferentieerd worden per habitattype (zie ook referentiekader).

Algemeen referentiekader

De lidstaten moeten streven naar het bereiken van een regionaal gunstige staat van instandhouding voor de Europees beschermde natuur. Inzake habitatkwaliteit impliceert dit volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn dat deze ‘in een goede conditie is en er geen significante verslechtering is of significante drukken zijn’. Om het bereiken van de regionaal gunstige staat niet te belemmeren (of te behouden indien deze reeds bereikt is), is het aldus nodig om verslechtering tegen te gaan en milieudrukken aan te pakken. De toepassing hiervan in de passende beoordeling wordt toegelicht in de Omzendbrief/OMG/2017/01. Wat de milieudrukken betreft dient men concreet te streven naar de grenswaarde voor de betreffende milieudruk, dit is een niveau dat het halen van de gunstige staat van instandhouding mogelijk maakt, en dient men verslechtering tegen te gaan. Het overschrijden van een grenswaarde houdt immers steeds een risico in op verslechtering en op een lokaal negatieve trend, wat het bereiken van een regionaal gunstige staat van instandhouding kan belemmeren.

Concreet betekent dit dat, zowel ter hoogte van percelen onder passend beheer (d.i. waarvoor het beheer is vastgelegd in goedgekeurde natuurbeheerplannen of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten), ter hoogte van de reservatiezones voor de doelen (de zoekzones) als ter hoogte van het actueel habitat, de milieudruk niet mag stijgen tot boven de grenswaarde. Indien dat wel het geval is, dient de overschrijding gestopt of verminderd. Waar de grenswaarde niet (langer) overschreden wordt, mag de milieudruk de grenswaarde ook in de toekomst niet overschrijden. Indien het habitattype of de soort in een regionaal gunstige staat van instandhouding is en indien de locatie niet essentieel is voor het behoud van deze regionaal gunstige staat, kan toegestaan worden dat de grenswaarde overschreden wordt.

Algemeen referentiekader voor ruimtebeslag

Bij de effectgroep ruimtebeslag wordt er een onderscheid gemaakt tussen:
•    een tijdelijk habitatverlies;
•    een langdurig of permanent habitatverlies;
•    een kwaliteitsverandering van een habitat.

Aan de begrippen tijdelijk en permanent kunnen verschillende betekenissen gegeven worden, afhankelijk van de invalshoek. Uitgaande van de tijdsduur van een ingreep is die te beschouwen als tijdelijk als het bijvoorbeeld over de aanlegfase gaat (bv. een werfstrook) of permanent als het over een exploitatiefase gaat (bv. een weg). De begrippen tijdelijk en permanent kunnen echter ook vanuit een ecologische invalshoek benaderd worden, met name vanuit de herstelbaarheid van een habitattype en de omkeerbaarheid van een effect.

Rekening houdend met de omschrijvingen van tijdelijk versus permanent habitatverlies en de herstelbaarheid van een habitat worden volgende definities voor de passende beoordeling aangehouden:

  • Tijdelijk habitatverlies: het vernietigde habitat kan minstens in de oorspronkelijke staat hersteld worden binnen een termijn van 4 jaar na het stopzetten van de ingreep of na afloop van de werken (oorzaak van het ruimtebeslag). Het ruimtebeslag zelf heeft een maximale duur van 3 jaar. De oorspronkelijke staat van instandhouding is hersteld ten laatste 4 jaar na de afloop van de ingreep, d.i. inclusief de termijn nodig voor het uitvoeren van eventuele herstelmaatregelen (veelal abiotische omstandigheden) en de ontwikkelingstijd nodig voor het bereiken van de oorspronkelijke staat van instandhouding (ook de biotische kenmerken zijn minstens evenwaardig aan de oorspronkelijke toestand). Indien de tijdelijke ingreep leidt tot het permanent onmogelijk maken van het lokaal bereiken van de gunstige staat van instandhouding, terwijl dit in de oorspronkelijke situatie wel het geval was, dient het habitatverlies aanzien te worden als permanent. De habitats die (onder bepaalde omstandigheden) kunnen herstellen binnen een periode van 4 jaar na het tijdelijk ruimtebeslag worden weergegeven in bijlage 1 van het rapport 'Herstelbaarheid van Europese habitattypes in functie van tijdelijk ruimtebeslag' opgesteld door INBO in 2015. 
  • Langdurig of permanent habitatverlies: is van toepassing op habitattypen die
    • of) door een ingreep effectief nooit meer tot een lokaal gunstige staat van instandhouding hersteld of ontwikkeld kunnen worden, omdat de ruimte is ingenomen door een ander landgebruik (bv. een gebouw);
    • of) voor habitattypen, waarbij de hersteltijd (nodig voor herstel van de oorspronkelijke staat van instandhouding, zowel voor abiotische als biotische aspecten, zie tijdelijk habitatverlies) meer dan 4 jaar duurt. 
  • Kwaliteitswijziging van een habitat: elke wijziging van de habitatkwaliteit als gevolg van een verstoring van een proces noodzakelijk voor de structuur en/of functies van het habitat, als (indirect) gevolg van ruimtebeslag. In dit geval is het habitat niet volledig vernietigd, maar heeft het ruimtebeslag als gevolg dat de habitatstructuur (vegetatie, reliëf, geomorfologie, bodem, ruimtelijke samenhang,…) is gedegradeerd door mechanische oorzaken, veranderingen in dynamiek, wegvallen van beheer,... Dit type van ruimtebeslag komt veel minder vaak voor dan het tijdelijk of permanent habitatverlies door directe ruimte-inname. Desalniettemin wordt het toch opgenomen in deze praktische wegwijzer om een kader te scheppen voor de situaties waarin het toch voorkomt.

    Een voorbeeld is het intensief en overbegrazen van een habitatwaardig bos, waardoor de kruid- en struikvegetatie vernietigd wordt. In dit geval is er geen permanent habitatverlies, maar wordt de habitatstructuur aangetast en is er een kwaliteitswijziging van het habitat. Ook ruimtebeslag buiten het eigenlijke habitat (of zelfs SBZ), kan een kwaliteitsverandering teweegbrengen binnen SBZ. Dit proces kan optreden door bijvoorbeeld het bouwen van een hoog gebouw, waardoor de afzetting van zand (door het veranderen van de windimpact) in een duingebied gewijzigd wordt. Het permanent habitatverlies valt in dit geval samen met het hoge gebouw. De zone waar een kwaliteitswijziging van het habitat geldt, is echter de zone van de stuifduinen die minder onder invloed staan van windwerking. De ingreep hoeft evenwel zelf niet noodzakelijk habitatverlies in te houden. In waterlopen kan het bijvoorbeeld gaan om de wijziging van sedimentafzet als gevolg van het inbrengen van een drempel in een rivier. De kwaliteitswijziging vindt plaats in de oppervlakte waar meer of minder sediment wordt afgezet. 

    Een kwaliteitswijziging kan ook tijdelijk optreden. In dat geval dient geoordeeld te worden of de kwaliteit van het habitat tijdelijk dan wel langdurig of permanent vermindert. Voor het onderscheid tussen beide gelden dezelfde criteria als voor habitatverlies, hierboven beschreven. Bijvoorbeeld, indien de drempel in de rivier in het vorige voorbeeld tijdelijk aangebracht wordt, omwille van de realisatie van een bepaald project, wordt de sedimentafzet tijdelijk gewijzigd. In dit geval dient dus nagegaan of de oorspronkelijke toestand (zowel abiotische als biotische aspecten) op de oppervlakte waar de sedimentafzet gewijzigd is, binnen de vier jaar na het wegnemen van de drempel hersteld is. Mogelijk volstaat hiertoe het herstel van de rivierdynamiek van voor de ingreep. Indien niet, moet de oorspronkelijke toestand gerealiseerd worden door herstelmaatregelen. Anderzijds betreft kwaliteitswijziging in deze praktische wegwijzer niet de wijziging van de structuur van een habitat door vergrassing ten gevolge van depositie of ten gevolge van verdroging. Dit effect wordt namelijk behandeld onder de effectgroep eutrofiëring via lucht of in effectgroep verdroging of vernatting. Gevolgen door milieudrukken, die beschreven worden in andere praktische wegwijzers , vallen dus niet onder deze wegwijzer.

Het algemeen referentiekader toegepast op de beslisregels voor direct ruimtebeslag, rekening houdend met bovenstaande definities, wordt als volgt uitgedrukt:

Situatie perceel Tijdelijk Permanent
Habitatverlies Kwaliteitswijziging

Habitatverlies

Kwaliteitswijziging

Actueel habitat

Habitat onder passend beheer

4 jaar* na de vernietiging van het habitat moeten de abiotische en biotische omstandigheden hersteld zijn tot minimaal het niveau van voor de ingreep 4 jaar* na de wijziging van het habitat moeten de abiotische en biotische omstandigheden hersteld zijn tot minimaal het niveau van voor de ingreep Elk oppervlakteverlies is potentieel betekenisvol*** Elke kwaliteitswijziging is potentieel betekenisvol***
Voorlopige zoekzone Geen permanente hypotheek op de realisering van de instandhoudingsdoelen** Geen permanente hypotheek op de realisering van de instandhoudingsdoelen** Geen permanente hypotheek op de realisering van de instandhoudingsdoelen** Geen permanente hypotheek op de realisering van de instandhoudingsdoelen**

* De periode van 4 jaar wordt gerekend vanaf het beëindigen van de ingreep. Wanneer omwille van de eigenheid van het project het tijdelijk ruimtebeslag langer duurt dan een periode van 4 jaar dient de al dan niet significante impact geval per geval gemotiveerd te worden in de passende beoordeling. Indien de tijdelijke ingreep leidt tot het permanent onmogelijk maken van het lokaal bereiken van de gunstige staat van instandhouding, terwijl dit in de oorspronkelijke situatie wel het geval was, dient het habitatverlies aanzien te worden als permanent. 

** Geval per geval te beoordelen op basis van de aard & relatieve grootte van de geïmpacteerde zoekzone en een reeks ecologische aspecten.

*** Al dan niet significante impact is geval per geval te motiveren in de passende beoordeling. Voor de specifieke situatie waar het betrokken habitat zich in regionaal (Vlaanderen) gunstige staat van instandhouding bevindt, dient de afname in oppervlakte en/of kwaliteit veroorzaakt door het plan, project of programma beoordeeld worden ten aanzien van het behoud van de lokaal en regionaal gunstige staat van instandhouding.

Stap 1. Baken de toetszone af

De online tool Voortoets geeft aan wat de ‘toetszone’ is waar zich mogelijk een impact op het SBZ kan voordoen door direct ruimtebeslag (habitatverlies) ten gevolge van een activiteit (plan, project, programma, nieuwe vergunning en/of uitbreiding bestaande vergunning). 

In de Passende beoordeling is een verdere verfijning van de toetszone mogelijk door de verschillende ingrepen in het project- of plangebied geografisch te lokaliseren. Dit omvat onder meer de specifieke aanduiding van infrastructuur, zoals bijvoorbeeld gebouwen, parkings, de ligging van tijdelijke werfstroken, de ruimtes binnen het projectgebied waar geen activiteiten gepland zijn en behouden worden, … Er wordt in de Passende beoordeling een onderscheid gemaakt tussen nieuwe infrastructuur en reeds gerealiseerde infrastructuur. Op basis van deze verfijning kan dan het direct ruimtebeslag begroot worden.

De aantasting van de habitatstructuur, -functies en kwaliteitswijziging is een vorm van ruimtebeslag die op heden niet in de Voortoets is ingebouwd. Dit aspect moet echter wel in de Passende beoordeling onderzocht worden. Als een ingreep binnen het projectgebied aanleiding kan geven tot een kwaliteitswijziging van een habitat (desgevallend buiten het projectgebied, maar binnen SBZ), dan dient dit ook onderzocht te worden in de passende beoordeling. De uiteindelijke toetszone kan in deze effectgroep dus groter zijn dan die aangegeven door de Voortoets.

Stap 2. Instandhoudingsdoelstellingen, actuele habitats en voorlopige zoekzones

Net zoals bij de Voortoets, wordt binnen de toetszone nagegaan welke (potentiële) habitats er voorkomen. Dit gebeurt door een onderzoek naar het voorkomen van:

  • De actuele voorkomende habitats;
  • De potentiële habitats: de (voorlopige) zoekzones waarbinnen de doelen kunnen gelokaliseerd worden;
  • De doelen onder passend beheer: de gelokaliseerde doelen d.i. de percelen waarvoor het beheer in functie van instandhoudingsdoelen voor habitats is vastgelegd in goedgekeurde natuurbeheerplannen of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten. 

De ruimtelijke gegevens hierover zijn beschikbaar op Geopunt als shapefile:

  • De 'Biologische waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart' voor Vlaanderen bevat de actueel voorkomende habitats. 
  • De 'Voorlopige zoekzones instandhoudingsdoelen Natura 200 versie 2' bevatten, in afwachting van de managementplannen Natura 2000, als apart te raadplegen elementen:
    • De voorlopige zoekzones; en 
    • De doelen onder passend beheer.

Meer informatie over het praktisch gebruik van deze kaart vind je in het document 'Handleiding raadplegen zoekzones op Geopunt' door hier te klikken.

 

Stap 3 Nagaan gevoeligheid

Het uitgangspunt is dat elk habitattype gevoelig is voor de effectgroep ‘ruimtebeslag’.

Stap 4. Bepalen actuele toestand en nagaan of deze aanvaardbaar is

Referentiesituatie

De beoordeling van ruimtebeslag gebeurt in het kader van een passende beoordeling gebiedsgericht op het niveau van een SBZ en ten opzichte van de doelen vastgelegd in de S-IHD-besluiten. 

Per SBZ dient het aanwijzingsbesluit (S-IHD-besluit) geconsulteerd te worden. In dit aanwijzingsbesluit, meer bepaald het ’Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van (gebied x) en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten’, is in artikel 3 opgenomen welke habitats voor de betreffende SBZ worden aangewezen. De referentietoestand wordt dus vertegenwoordigd door de goedgekeurde instandhoudingsdoelstellingen (datum besluit VR). 

Binnen de ‘toetszone’ wordt tevens nagegaan welke staat van instandhouding actueel geldt voor de voorkomende (potentiële) habitats en wordt de trend die beschreven is in het S-IHD-rapport (per gebied te raadplegen op natura2000.vlaanderen.be) getoetst aan de actuele toestand (= moment van uitvoering van het project of plan).
 

Actuele staat van instandhouding

De inschatting van de actuele staat van instandhouding (SVI) dient op drie niveaus te gebeuren:
•    Op het niveau van de individuele habitatvlek (lokale staat van instandhouding), op basis van de criteria beschreven in T’jollyn et al. (2009);
•    Op SBZ- of deelgebiedniveau (beschermingsstatus uitgedrukt in de mate van “instandhouding op SBZ niveau”);
•    Op Vlaams niveau: regionale SVI

Informatie over de lokale staat van instandhouding is te vinden in de betreffende S-IHD-rapporten (https://www.natura2000.vlaanderen.be/publicaties). Dit omvat een beoordeling op (deel)gebiedsniveau voor elk tot doel gesteld habitat in de SBZ. In de passende beoordeling wordt gewerkt met de beoordeling op (deel)gebiedniveau. Indien het S-IHD-rapport informatie bevat op habitatvlekniveau, dan kan op basis van de habitatkaart de lokale staat van instandhouding per individuele habitatvlek gelokaliseerd worden. Indien de lokale staat van instandhouding op geen enkel niveau is bepaald, dan kan dit gebeuren op basis van terreinonderzoek volgens de standaard methodologie van INBO voor kartering op terrein (https://www.inbo.be/nl/handleiding-en-veldsleutels).

 

In principe worden de habitatkaart en de kaart met de voorlopige zoekzones gebruikt als basis, zoals beschreven onder stap 2. De habitats onder passend beheer worden omvat door de delen van de voorlopige zoekzones waarvoor het passend beheer is vastgesteld in goedgekeurde natuurbeheerplannen of daarmee vergelijkbare plannen of vergelijkbare overeenkomsten waarin passend beheer is vastgesteld. Indien er onduidelijkheid bestaat over de mogelijke aanwezigheid van habitat op terrein (voor de initiatiefnemer of het ANB), kan een veldkartering worden uitgevoerd. De initiatiefnemer kan de kartering op eigen initiatief (laten) uitvoeren indien die dat nuttig acht voor de onderbouwing van de passende beoordeling. Anderzijds zal ANB eveneens op eigen initiatief een kartering (laten) uitvoeren indien ANB zelf vermoedens heeft over het niet (meer) correct zijn van de habitatkaart voor het terrein in kwestie. Het INBO heeft hierin een controlerende rol. Herkarteringen moeten dan ook goed gedocumenteerd doorgegeven worden aan het INBO.

Oppervlakte

Op basis van de concrete lokalisering van de ingrepen binnen het project- of plangebied wordt schematisch weergegeven welke actuele habitattypen aangetast worden door direct ruimtebeslag. Minimaal worden de oppervlakten (in m2 of ha) van de habitats die aangetast worden door direct ruimtebeslag weergegeven.

Indien de kwaliteit van een habitat afneemt, wordt eveneens een inschatting van de betrokken oppervlakte opgemaakt.

Een zelfde oefening gebeurt voor de voorlopige zoekzones en de doelen onder passend beheer, beschreven in stap 2. 

Het berekende ruimtebeslag als gevolg van de activiteit moet zo objectief mogelijk worden vastgesteld. Het hangt van de aard van de ingreep of invloed af hoe precies en met wat voor mate van zekerheid het ruimtebeslag kan worden voorspeld (bv. afname door bebouwing is 100% zeker en nauwkeurig te voorspellen, maar toename van erosie bij een schor veel minder). Indien het ruimtebeslag een onzekerheidsmarge heeft, dan moet worden uitgegaan van de maximale afname ('worst case'). Vervolgens kan bij het aspect milderende maatregelen aangegeven worden wat de netto oppervlakte is na het nemen van de voorgestelde maatregelen.

Vlaamse instandhoudingsdoelen met betrekking tot kwaliteit

Bij de inschatting van het effect ‘ruimtebeslag’ wordt niet alleen rekening gehouden met het oppervlakteverlies, maar eventueel ook met de kwaliteitswijziging van het habitat. 

Bij de specifieke instandhoudingsdoelstellingen (S-IHD) zijn naast oppervlaktedoelen ook kwaliteitsdoelstellingen per habitattype opgenomen. Hieruit kan afgeleid worden in welke mate de staat van instandhouding dient te verbeteren dan wel behouden dient te worden. De kwaliteitsdoelen zijn op het (deel)gebiedniveau van de SBZ per habitattype geformuleerd. Deze informatie is terug te vinden in bijlage 2 bij elk S-IHD-besluit.

Stap 5. Berekening impact van het geplande initiatief

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de oppervlakte permanent ruimtebeslag, de oppervlakte tijdelijke ruimtebeslag en de oppervlakte kwaliteitswijziging. De oppervlakten van het ruimtebeslag dienen zowel cartografisch als in een tabel weergegeven te worden.

Deze oppervlakten worden geplaatst ten opzichte van:
-    de actuele oppervlakten van het habitattype in de SBZ;
-    de doelen onder passend beheer; en 
-    de oppervlaktedoelen in de SBZ of het deelgebied opgegeven in het S-IHD-besluit en meer concreet: de oppervlakte potentiële habitats welke gerealiseerd kunnen worden binnen de voorlopige zoekzones.

De kwaliteitswijziging wordt niet alleen uitgedrukt in een oppervlakte, maar ook de criteria waarop de kwaliteitswijziging van toepassing is, worden weergegeven. Naast de oppervlakte dient ook de impact of betekenis van de ruimtelijke ligging van de kwaliteitswijziging ten opzichte van de punten in de opsomming beschreven. 

Het ruimtebeslag wordt niet alleen beschouwd ten opzichte van het lokale niveau, maar ook ten opzichte van het gewestelijk niveau: meer bepaald ten opzichte van het belang van het gebied voor de regionale staat van instandhouding van het habitattype.

Een eventuele afname ten gevolge van autonome ontwikkelingen of ten gevolge van andere activiteiten wordt eveneens mee opgenomen (cumulatieve effecten). 

Cumulatie

Binnen de SBZ dient niet alleen gekeken te worden naar het effect van het plan/programma op zich, maar naar de combinatie van verschillende activiteiten die inspelen op de SBZ of het deelgebied. Er moet worden vastgesteld welke oorzaken tot een betekenisvol effect kunnen leiden (“… afzonderlijk of in combinatie...”), omdat meerdere effecten, ook al is de afzonderlijke omvang bescheiden, gezamenlijk wel een significant effect kunnen opleveren. 

In het kader van de passende beoordeling wordt dus tevens in beeld gebracht welke andere ingrepen in de SBZ kunnen interfereren met het verlies van habitat en/of de kwaliteitsdaling van het habitat ten gevolge van ruimtebeslag (cumulatie van effecten). Het gaat hier zowel over voltooide, reeds uitgevoerde als geplande (waar vergunning voor afgeleverd is maar nog niet uitgevoerd werd) en werkelijk voorgestelde activiteiten (waar de procedure lopende is maar nog niet beslist is; enkel de publiek gemaakte). Voor het detecteren van cumulatie van effecten van het ruimtebeslag dient waar mogelijk relevant ook over de gewestgrenzen en/of landgrenzen heen gekeken te worden (grensoverschrijdende effecten). 

In een dergelijke meta-beoordeling wordt dus het globale effect bepaald.

Cumulatieve effecten kunnen op volgende wijze gekarakteriseerd worden:

  • naar de tijdskenmerken: cumulatieve effecten vinden plaats gedurende een tijdsperiode, waarbij een zelfde type van verstoring zo veelvuldig voorkomt, dat de 'afzonderlijke' verstoringen op het systeem niet individueel geanalyseerd kunnen worden;
  • naar de ruimtelijke kenmerken: cumulatieve effecten grijpen plaats in een ruimtelijk systeem, waarbij de ruimtelijke effecten van een zelfde type van verstoringen elkaar overlappen;
  • naar ruimtelijke en tijdskenmerken: cumulatieve effecten grijpen plaats ten gevolge van het optreden van verschillende soorten verstoringen, waarbij een zelfde milieucomponent geaffecteerd wordt door verschillende verstoringen met voldoende overlap in ruimte en tijd. Dit type van cumulatieve effecten houdt zowel tijdskenmerken als synergetische input in en wordt als "gecombineerd" aangeduid.

Het onderzoek naar de redelijkerwijs bekende cumulatieve effecten gebeurt door de initiatiefnemer. 

Stap 6. Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

Rekening houdend met de beslisregels wordt er in de significantie-beoordeling een onderscheid gemaakt tussen drie mogelijke vormen van ruimtebeslag:
A.    Tijdelijk habitatverlies
B.    Kwaliteitswijziging
C.    Langdurig of permanent of habitatverlies
 

Tijdelijk habitatverlies

Indien een activiteit (plan, project, nieuwe vergunning en/of uitbreiding bestaande vergunning) aanleiding geeft tot een tijdelijk habitatverlies, dan dient nagegaan te worden of het habitat na de uitvoering ervan terug tot ontwikkeling kan komen. Het tijdelijke habitatverlies van actueel habitat of percelen onder passend beheer is niet betekenisvol indien de abiotische en biotische omstandigheden binnen de 4 jaar na het stopzetten van de ingreep hersteld zijn tot minimaal het niveau van voor de ingreep. In Van Uytvanck et al. (2015) wordt het effect tijdelijk ruimtebeslag uitgewerkt voor de verschillende habitattypes. De hersteltijd wordt ingeschat onder verschillende ecologische randvoorwaarden, waarbij vooral het onderscheid gemaakt wordt tussen een hersteltijd korter dan 4 jaar en een hersteltijd langer dan 4 jaar. Dit document vormt aldus een belangrijke basis wat betreft de afbakening van tijdelijk ruimtebeslag per habitattype.

Het habitatherstel dient plaats te grijpen op dezelfde plaats van de vernietiging van het habitattype. De oorspronkelijke milieukarakteristieken dienen hersteld te worden, minstens tot de situatie van vóór de vernietiging. 

Voor het herstel van het habitat dient in de vergunning een traject afgesproken te worden van maatregelen voor inrichting- en herstelbeheer. Een voorstel hiertoe wordt geformuleerd door de initiatiefnemer en goedgekeurd door de overheid in de vergunning. De maatregelen zijn ten laste van de vergunningsaanvrager tot zolang de beoogde toestand gerealiseerd is. Deze beoogde toestand is minstens de staat van instandhouding van voor de aantasting, voor die habitats onderhevig aan het tijdelijk habitatverlies. 

In de vergunningsaanvraag moeten de inrichtings- en herstelmaatregelen duidelijk omschreven worden, evenals de monitoringmaatregelen om aan te tonen dat herstel succesvol is. Indien zou blijken uit de monitoring dat het herstel niet geslaagd is tot het gewenst niveau binnen het afgesproken traject, dan moet het herstelbeheer bijgestuurd worden. De vergunningsvoorwaarden moeten een passend kader vormen om bijkomende maatregelen hiervoor toe te laten. De vergunningverlenende overheid controleert of het herstel afdoende is uitgevoerd.

Indien een activiteit (plan, project, nieuwe vergunning en/of uitbreiding bestaande vergunning) aanleiding geeft tot een tijdelijk ruimtebeslag van een gelokaliseerd omvormings- of uitbreidingsdoel (dus perceel onder passend beheer), dan wordt in eerste instantie nagegaan binnen welke timing de omvorming of uitbreiding zal gerealiseerd worden (conform management, goedgekeurd natuurbeheerplan of gelijkwaardig document). De noodzakelijke milieukarakteristieken voor het doelhabitat moeten hersteld zijn, vooraleer de doelen gerealiseerd worden.

Indien een activiteit (plan, project, nieuwe vergunning en/of uitbreiding bestaande vergunning) aanleiding geeft tot een tijdelijk ruimtebeslag van een potentieel habitat in een zoekzone, dan mag geen lange termijn hypotheek gelegd worden op de realisering van de doelen. De effecten van het tijdelijk ruimtebeslag moeten dus omkeerbaar zijn (zie referentiekader). 

Kwaliteitswijziging van een habitat

Niet elke ingreep gedefinieerd in de effectgroep ‘ruimtebeslag’ leidt tot een effectieve inname van een oppervlakte, waardoor het habitat verdwijnt. Ook wijzigingen van de kwaliteit of van  de structuur van een habitat kunnen leiden tot achteruitgang of verlies van een habitat (tijdelijk of permanent). 

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer men een bos wil aanplanten met als gevolg het wegvallen van de windwerking en dynamiek zodat er geen verstuiving van zand meer kan plaatsvinden die noodzakelijk is voor het habitattype 2330. Een ander voorbeeld is een rivierruiming met als gevolg de afname van de overstromingsfrequentie en –dynamiek in een rivier , waardoor de standplaats van zachthoutooibos 91EO_wvb wijzigt. Wijzigingen aan de habitatstructuur ten gevolge van andere effectgroepen (bijvoorbeeld eutrofiëring via depositie of grondwaterstandswijziging) worden niet beschouwd. 

Om de kwaliteit van een habitat op terrein vast te stellen is het begrip ‘lokale staat van instandhouding’ (LSVI) ingevoerd. Dit is de staat van instandhouding op het niveau van de habitatlocatie. T’jollyn et al. (2009) geeft weer op welke wijze de lokale staat van instandhouding per habitattype moet ingeschat worden. Het rapport maakt onderscheid in een goede, voldoende of gedegradeerde staat van instandhouding. Hier kan de grens tussen voldoende en gedegradeerd geïnterpreteerd worden als de grenswaarde tussen een gunstige en ongunstige staat van instandhouding.
Per habitattype of habitatsubtype bevat het vermelde rapport een fiche met volgende structuur:

A. Habitatkarakteristieken: overzicht en beschrijving van de voor het habitattype belangrijke karakteristieken:

  • milieukarakteristieken voor een goede staat van instandhouding
  • vegetatie- en structuurkarakteristieken
    • kwaliteitsindicatoren voor vegetatie m.b.v. sleutelsoorten
    • (habitat)structuur
    • storingsindicatoren

B. Beoordelingsmatrix: drempelwaarden of beschrijvende beoordeling voor elk van de onder A beschreven vegetatie- en structuurkarakteristieken.

  • (habitat)structuur
  • verstoring
  • vegetatie (= kwaliteitsindicatoren, sleutelsoorten)

C. Faunakarakteristieken en -beoordeling

Op basis van de huidige stand van zaken inzake kennis worden de criteria voor beoordeling van de lokale staat van instandhouding uit het rapport van T’jollyn, et al. (2009) als toetsingscriteria gehanteerd per habitattype voor wat betreft kwaliteitsverandering en meer specifiek de vegetatie- en structuurkarakteristieken. De milieukarakteristieken die aan bod komen bij de bespreking van de andere effectgroepen dan ruimtebeslag (bv. wijzigen grondwaterstand) worden hierbij niet in acht genomen. Nieuwe wetenschappelijke advieswaarden kunnen – na beleidsmatige validatie – leiden tot bijgestelde criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding.

Voor de beoordeling van een tijdelijke kwaliteitsverandering van een habitat gelden dezelfde richtlijnen als voor tijdelijk habitatverlies (zie hierboven).

Een activiteit, plan of programma leidt tot een potentieel betekenisvolle aantasting indien de habitatkwaliteit van een actueel habitat permanent in negatieve zin wijzigt ten gevolge van deze activiteit, dat plan of dat programma. Indien de gelokaliseerde doelstelling het behoud van de kwaliteit van een habitattype is, dan is elke negatieve wijziging aan de staat van instandhouding een potentieel betekenisvol effect. Indien de gelokaliseerde doelstelling een kwaliteitsverbetering is van het actueel habitat dan is elke negatieve wijziging aan de verbeteropgave tot een betere staat van instandhouding potentieel een betekenisvol effect. Of het al dan niet gaat om een betekenisvol effect, dient gemotiveerd te worden in de passende beoordeling. Algemeen dient de vraag gesteld te worden: hypothekeert het project het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen? Voor habitat in regionaal (Vlaanderen) gunstige staat van instandhouding dient de afname in kwaliteit geval per geval beoordeeld te worden ten aanzien van het behoud van de regionaal gunstige staat.
 

Langdurig en permanent habitatverlies

Elk direct ruimtebeslag van een actueel habitat, ongeacht de staat van instandhouding of de doelstelling, is een potentieel betekenisvolle aantasting indien het herstel van de abiotische condities en het realiseren van de (lokale) gunstige biotische omstandigheden langer duurt dan 4 jaar gerekend vanaf het einde van de ingreep. Met permanent worden irreversibele en onherstelbare effecten bedoeld. Het habitat wordt in dit geval vervangen door een ander ruimtegebruik (bv. een gebouw) dat het voorkomen van het habitat onmogelijk maakt. 

Het betekenisvol zijn of de significantie van dat effect dient verder onderbouwd te worden in de passende beoordeling, rekening houdend met criteria, zoals het type van habitat, de ligging van het habitat, de ruimtelijke samenhang, de regionale staat van instandhouding van het habitat (= niveau Vlaanderen), de lokale staat van instandhouding, de zeldzaamheid, de herstelbaarheid, de tot doel gestelde oppervlakte, de oppervlakte inname, en de toekomstperspectieven van de betreffende oppervlakte. Algemeen dient de vraag gesteld te worden: hypothekeert het project het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen? Voor de specifieke situatie waar het betrokken habitat zich in regionaal (Vlaanderen) gunstige staat van instandhouding bevindt, kan de afname in oppervlakte beoordeeld worden ten aanzien van het behoud van de regionaal gunstige staat

Dit kan doorgetrokken worden voor elk permanent ruimtebeslag van een gelokaliseerd doel (kwaliteitsverbetering, uitbreiding of omvorming in een managementplan Natura 2000 (van zodra vastgesteld) en/of goedgekeurd natuurbeheerplan of gelijkwaardig document). In nieuwe vergunningen en bij uitbreidingen dient elk bijkomend direct ruimtebeslag van gelokaliseerde habitatdoelen vermeden te worden. 

In de zoekzones, mag er door de activiteit geen permanente hypotheek gelegd worden op de realisering van de doelen. Het beoordelen van een ‘permanente hypotheek’ is maatwerk afhankelijk van de aard, relatieve grootte en een reeks ecologische aspecten die de betekenisvolheid van het ruimtebeslag kunnen bepalen zoals hierboven reeds aangegeven. In het algemeen dienen de abiotische en biotische omstandigheden behouden te blijven. Bij de concrete beoordeling dient rekening gehouden te worden met verschillende aspecten van het ruimtebeslag, waaronder:

  • de ligging ten opzichte van bestaande habitats en/of ander landgebruik;
  • de kwaliteit van het betrokken terrein in functie van de habitatkarakteristieken;
  • de actuele functie van het betrokken terrein ten opzichte van habitattypische soorten en/of de instandhouding van de habitats;
  • de natuurpotenties (abiotische kansrijkdom van natuurtypen) van het betrokken terrein, beschreven in verschillende potentietrappen (in een hoogste potentietrap is realisering van een doel meer realistisch dan in laagste potentietrap);
  • de mate waarin het betrokken terrein nodig kan zijn voor de realisering van de doelen i.f.v. 2020 – 2050 habitats (zie ook het Vlaamse Natura 2000-Programma), waarbij kan rekening gehouden worden met de tijdsafspraken inzake de realisatie van IHD-doelen in het specifieke gebied en de balans t.o.v. de reeds gerealiseerde doelen.

In hoeverre kan gemilderd worden?

Permanent ruimtebeslag: 
-    verplaatsen van de activiteit of delen ervan tot geen habitatverlies veroorzaakt wordt
Tijdelijk ruimtebeslag: 
-    verplaatsen van de tijdelijke activiteit of delen ervan (zoals werven) tot geen habitatverlies veroorzaakt wordt
-    incorporeren van maatregelen in de activiteit om de geschikte standplaatscondities na het tijdelijk verlies te herstellen
Kwaliteitswijziging;
-    verplaatsen van de activiteit of delen ervan (zoals werven) tot geen kwaliteitswijziging veroorzaakt wordt
-    incorporeren van maatregelen in de activiteit om de geschikte standplaatscondities na de kwaliteitswijziging te herstellen

Bij bepaalde projecten worden milderende maatregelen reeds opgenomen in de ontwerpfase van het project. In dat geval zijn deze maatregelen geïntegreerd in het project en de effectbepaling ervan en worden dus niet afzonderlijk begroot als milderende maatregel.

Enkel als er daar bovenop nog milderende maatregelen beschouwd moeten worden, is een bijkomende beoordeling noodzakelijk. Indien extra milderende maatregelen genomen zijn, worden de verschillende scenario’s met elkaar vergeleken. Hun effect wordt op dezelfde wijze in beeld gebracht als dat van het project voor mildering.

Deze extra milderende maatregelen dienen duidelijk geïdentificeerd te worden en moeten opgenomen worden in de vergunningsaanvraag.

Welke monitoring is aangewezen?

In het kader van de uitvoering van een vergunning kan monitoring opgenomen worden bij tijdelijk habitatverlies, kwaliteitsverandering, realisering van milderende maatregelen of compensatie indien er een betekenisvolle aantasting is. 

In dergelijke specifieke gevallen dient een monitoringsprotocol opgemaakt te worden als onderdeel van de vergunning of het plan. De monitoringprocedure wordt duidelijk en precies omschreven, met inbegrip van een analyse van de financiële aspecten.

Opvolgen van de habitatontwikkeling na/bij herstel (tot minimaal de toestand van voor de ingreep, zie referentiekader) kan bijvoorbeeld bestaan uit. 

  • Vastleggen T0 (conform methodiek opname LSVI)
  • Monitoring na bijvoorbeeld 1ste, 2de, 4de jaar (conform methodiek opname LSVI)
  • Aanvullend eventueel soortgerichte monitoring van habitattypische fauna-soorten als indicator van habitatkwaliteit (zie voor de soorten per habitattype De Knijf G., Paelinckx D., 2012, Advies betreffende typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen, Advies van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.A.2012.29, 18p.)

Monitoring inzake trends en bereiken van instandhoudingsdoelstellingen daarentegen gebeurt in opdracht van de Vlaamse overheid en is dus niet gekoppeld aan een vergunning.
 

Referenties

Bal D. & F.J. van Zadelhoff (red.), 2001, Handboek Natuurdoeltypen, Expertisecentrum LNV, Wageningen, 832 pp.

Decleer K. (red.), 2007, Europese beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee, Habitattypen Dier -en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek M.2007.01, Brussel 584pp.

De Saeger S., Paelinckx D., Demolder H., Denys L., Packet J., Thomaes A. & Vandekerkhove K, 2008, Sleutel voor het karteren van NATURA2000 habitattypen in Vlaanderen, grotendeels vertrekkende van de karteringseenheden van de Biologische Waarderingskaart, versie 5. Intern Rapport INBO.IR.2008.23. Instituut voor Natuur- en bosonderzoek, Brussel.

Europese Commissie, 2000, Beheer van “Natura 2000”-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)

European Commission, 1999, Guidelines for the Assessment of Indirect and Cumulative Impacts as well as Impact Interactions, Hyder, author: Walker, L.J., Johnston J.

Paelinckx D., Sannen K. Goethals V., Louette G., Rutten J. & M. Hoffmann (red.), 2009, Gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats en soorten van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn voor Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.M.2009.6, Brussel 669 pp.

Paelinckx D., De Saeger S., Oosterlynck P., Demolder H., Guelinckx R., Leyssen A., Van Hove M., Weyembergh G., Wils C., Vriens L., T’Jollyn F., Van Ormelingen J., Bosch H., Van de Maele J., Erens G., Adams Y, De Knijf G, Berten B., Provoost S., Thomaes A., Vandekerkhove K., Denys L., Packet J., Van Dam G. & Verheirstraeten M., 2009, Habitatkaart, versie 5.2. Indicatieve situering van de Natura 2000 habitats en de regionaal belangrijke biotopen. Integratie en bewerking van de Biologische Waarderingskaart, versie 2. Rapport en GIS-bestand INBO.R.2009.4. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 

T’jollyn, F., Bosch, H., Demolder, H., De Saeger, S., Leyssen, A., Thomaes, A., Wouters, J. & Paelinckx, D. & Hoffmann, M. ,2009, Criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de NATURA 2000-habitattypen, versie 2.0. Rapporten van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek 2009 (46). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel: België, 326 pp. 

Van Uytvanck J. & G. De Blust (red.), 2012, Handboek voor beheerders, Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel I Habitats, Instituut voor Natuurbehoud, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 302 pp.

Van Uytvanck, J., Van der Aa, B., De Blust, G., Provoost, S., Decleer, K., Lommelen, E., Vercruysse, W., De Keersmaeker, L., Thomaes, A., 2015. Herstelbaarheid van Europese habitattypes in functie van tijdelijk ruimtebeslag. Studie in het kader van de praktische wegwijzers voor de passende beoordeling. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2015.6976214, Brussel.

Verheyen F., van Straaten D., Nagels K., 1997, Richtlijnenboek voor het opstellen en beoordelen van milieueffectrapporten. Deel 2 algemene methodologische aspecten, Universitaire Instelling Antwerpen, 253pp.

Wouters, J., Decleer, K., Vanderhaeghe, F., Hens, M., 2013, PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotsiche kansrijkdom van natuurtypen. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.R.2013.1042214, Brussel.