Vijver © Thierry de Coninck

Wijziging grondwaterstand

Inleiding

1. Doel en status van de praktische  wegwijzer

Deze praktische wegwijzer werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos, in overleg met thema-experten van de Vlaamse overheid (Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, Vlaamse Milieumaatschappij, Departement Omgeving - dienst MER, Vlaamse Landmaatschappij, Departement Omgeving - ALHRMG – Dienst Lucht) en besproken in de kwestiewerkgroep ‘IHD en passende beoordeling’ met betrokkenheid van maatschappelijke actors.

De praktische wegwijzer moet begrepen worden als de meest actuele leidraad voor het beoordelen van de significantie van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen in de speciale beschermingszones, meer bepaald de Habitatrichtlijngebieden. Deze praktische wegwijzer is geen richtlijn voor de beoordeling in Vogelrichtlijngebieden, noch voor VEN of voor beschermde soorten noch voor biologisch waardevolle en zeer waardevolle gebieden volgens de biologische waarderingskaart buiten Habitatrichtlijngebieden. Het is de bedoeling de praktische wegwijzer verder aan te vullen naarmate kennis en praktijk toenemen. De praktische wegwijzer is aldus een dynamisch gegeven.

Leeswijzer: in de tekst wordt steeds over de habitat gesproken. Het woord habitat heeft in deze praktische wegwijzer meer dan één invulling, het kan hier gaan over:

  1.  een actuele habitat, zoals we dit terugvinden op de habitatkaart;
  2. een potentiële habitat of actuele habitat opgenomen in de afbakening van de voorlopige zoekzones;
  3. een actuele of tot doel gestelde habitat opgenomen in een beheerplan of vastgelegd in de richtkaart van het managementplan.

In de praktische wegwijzer duiden we (a) en (b) aan door gebruik te maken van de terminologie (potentiële) habitat/voorlopige zoekzone. Een toelichting van de zoekzone kan teruggevonden worden in Bijlage.

Indien we in de praktische wegwijzer spreken over betekenisvolle aantasting of betekenisvol effect bedoelen we de betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone zoals bedoeld in artikel 36 ter §3 van het Natuurdecreet.

2. Toepassingsveld van deze effectgroep

Deze praktische wegwijzer handelt over de effectgroep ‘grondwaterstandswijziging’. Deze effectgroep moet beschouwd worden voor elk project/plan dat kan resulteren in een wijziging van de grondwaterhuishouding, permanent of tijdelijk, waardoor de standplaats van (potentiële) habitats kan verdrogen of vernatten, met schade of verlies van deze (potentiële) habitats tot gevolg. In bijlage is de definiëring van de effectgroep ‘wijziging grondwaterstand’ opgenomen.

Projecten/plannen die grondwaterstandsveranderingen kunnen veroorzaken zijn (niet limitatieve lijst):

  • wateronttrekkingen uit het grondwater (bemalingen, grondwaterwinning, beregeningsputten, drinkwaterwinningen);
  • realisatie van minder doorlatende oppervlakten;
  • aanleg van ondergrondse constructies;
  • door aanleg/wijzigingen van draineringen, dempen of verdiepen van grachten of waterlopen;
  • aanbrengen van minder doorlatende bodemlagen, zoals kleischermen
  • door aanpassing van het landgebruik (bebossing, winning van delfstoffen);
  • ...

Waterstandsverandering is te omschrijven als het dalen of stijgen van het waterniveau, van de kwelintensiteit of –duur. Het kan hierbij, zowel om veranderingen in grondwaterstanden gaan, als om veranderingen in oppervlaktewaterstanden ten gevolge van een gewijzigde grondwaterstand.

Een verlaging van de grondwatertoevoer (RLB fauna en flora, 2012) kan zich vertalen in een effectieve daling van de grondwaterstand (kwantitatief aspect) en/of in een wijziging van de chemische grondwatersamenstelling (kwalitatief aspect).

Een grondwaterstanddaling kan zich op verschillende manieren manifesteren: een gemiddeld lagere grondwaterstand, een langere periode van diepe grondwaterstanden, extremere diepe grondwaterstanden, een lager oppervlaktewaterpeil, ... . De daling zorgt voor een vochttekort bij planten en verschuivingen in de samenstelling van de vegetatie. De vegetatie van bepaalde (grond)waterafhankelijke habitattypes kan volledig verdwijnen en vervangen worden door andere vegetaties.

Daarnaast werkt een verlaagde grondwaterstand ook de afbraak van organisch materiaal in de hand omdat de bodem meer lucht bevat, waardoor nutriënten in toenemende mate vrijgesteld worden (interne eutrofiëring). Ook bij bodems met een hoog aandeel aan organische stof kan die versnelde afbraak uiteindelijk leiden tot een irreversibele daling van het bodemoppervlak (inklinken van organische bodems).  Als de invloed van gebufferd kwelwater wegvalt kan de invloed van  regenwater toenemen, wat kan leiden tot verzuring. Door het samenspel van deze processen wijzigt de soortensamenstelling van een vegetatie.

Bij vernatting (RLB fauna en flora, 2012) is er meestal sprake van een grondwaterstandstijging. Deze kan op verschillende manieren tot uiting komen: een gemiddeld hogere grondwaterstand, een langere periode van hoge grondwaterstanden, extremere hoge grondwaterstanden, ... Deze vernatting leidt in de eerste plaats tot een gebrekkigere zuurstofvoorziening. Het is een storende factor voor habitattypen en soorten die van nature onder drogere omstandigheden voorkomen. Ook het wijzigen van een tijdelijk naar een permanent nat milieu kan een storend effect hebben.

Een verminderde zuurstoftoevoer in de bodem is ook een mogelijke oorzaak van interne eutrofiëring, wanneer bv. aan ijzer gebonden fosfaat in oplossing kan gaan.

Deze praktische wegwijzer gaat in op de veranderingen in grondwaterstanden en beperkt zich daarbij tot de invloed van projecten/plannen op terrestrische habitattypen, die grondwaterafhankelijk zijn. In bijlage wordt een overzicht gegeven van de habitattypes en hun afhankelijkheid van grondwater.

Deze  praktische wegwijzer gaat niet in op het afgeleide effect van een grondwaterstandsverandering op de oppervlaktewaterpeilen en de eventuele wijziging in oppervlaktewaterkwaliteit door het wegvallen van grondwaterinvloed. De praktische wegwijzer gaat eveneens niet in op de afgeleide effecten van een grondwaterstandsdaling of –stijging op de wijziging in kwelstromen, de kwelintensiteit of de eventuele wijziging in grondwaterkwaliteit door wegvallen of toenemen van kwelinvloed. 

Risico’s op een wijziging van de grondwaterstand ten gevolge van calamiteiten en de mogelijke beperking van deze risico’s kunnen wel geduid worden in de Passende Beoordeling.

3. De link tussen Voortoets, project-MER en Passende beoordeling

Het risico of de waarschijnlijkheid op een betekenisvolle aantasting kan onderzocht worden in een voortoets. Het instrument Voortoets – bedoeld voor niet-merplichtige plannen of projecten - wordt ontwikkeld in een applicatie toegankelijk via het internet. Het is opgemaakt voor het doorlichten van vergunningsaanvragen op projectniveau. Is er via de Voortoets een indicatie dat er een risico of waarschijnlijkheid bestaat op een betekenisvolle aantasting van de (potentiele) habitats of voorlopige zoekzones in de speciale beschermingszone, dan is nader onderzoek aangewezen. Overleg met ANB is aangewezen om na te gaan of het risico op een betekenisvolle aantasting leidt tot verder onderzoek in de vorm van een passende beoordeling.

In de Voortoets doorlopen we volgende stappen:

  1. Waar vindt de ingreep plaats?
  • De aanvrager van de vergunning kan daartoe het projectgebied intekenen.
  1. Om welke ingreep gaat het?
  • De aanvrager doorloopt een vragenlijst die de ingreep karakteriseert.
  1. Welke effecten genereert ze?
  • Op basis van de projecteigenschappen of eigenschappen van het plan blijkt of er aanleiding kan zijn tot een effect.
  1. Is er potentieel een negatieve impact?
  • Op basis van de plan- of projecteigenschappen wordt een afstand bepaald waarbinnen er mogelijks een impact is. Indien deze contour (“toetszone”) een Speciale BeschermingsZone (SBZ) snijdt en indien in deze overlap een actueel habitat of een voorlopige zoekzone voorkomt, dat gevoelig is voor een bepaalde effectgroep, dan moet dit effect nader onderzocht worden. In eerste instantie is overleg met het ANB aangewezen, vooraleer de stap te zetten naar een passende beoordeling.

Omdat de Voortoets op www.voortoets.be in zijn huidige vorm beperkt is en geen volledige evaluatie op alle mogelijke effecten binnen Speciale Beschermingzones geeft, dient hier ook rekening mee gehouden worden bij de interpretatie van de rapportage van die Voortoets. Een groen rapport van de online tool slaat dan ook alleen op de effecten die deze tool heeft kunnen nagaan. Bovendien wordt er op dit moment via de tool alleen getoetst aan tot doel gestelde Europees te beschermen habitats en niet aan soorten die vallen onder de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

De Voortoets is ontwikkeld en uitgewerkt in nauw overleg met de doelgroepen. In consensus is afgesproken dat de Voortoets zich in hoofdzaak moet richten naar ‘gemiddelde en vaak voorkomende activiteiten’ in of in de buurt van Speciale Beschermingszones van het Natura2000-netwerk. De voornaamste reden hiervoor was dat de initiatiefnemer de Voortoets zelf moet kunnen uitvoeren. Daarom is zorgvuldig gelet op het laagdrempelig en toegankelijk karakter van de tool. Dit heeft meteen ook het voordeel dat een initiatiefnemer zijn project naar believen kan aanpassen en steeds met deze nieuwe situatie een voorzichtige doorrekening kan doen van de mogelijke gevolgen. Een MER daarentegen wordt door erkende deskundigen opgesteld binnen een vooraf bepaald traject. De expert kan het MER-plichtig project meteen met op maat ontworpen beoordelingsprocedures bekijken. Het is niet dat de Voortoets als tool in deze context niet bruikbaar zou zijn voor erkende MER-deskundigen. De tool blijft ook voor MER-plichtige activiteiten bruikbaar, maar er zijn door de gekozen focus op kleinschalige activiteiten ook op technisch vlak grenzen ingebouwd zodat de berekeningen die de Voortoets doet, niet meer betrouwbaar zijn in geval van grote installaties of inrichtingen. Bepaalde activiteiten die MER-plichtig zijn, liggen dus buiten het bereik van de Voortoets.

In een Passende beoordeling doorlopen we verder volgende stappen:

  1. Leidt de impact tot een betekenisvol(*) effect, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande, voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s? Dit wil zeggen: doet er zich een betekenisvol probleem voor met een bepaalde effectgroep en is de bijdrage van de vergunning daarin relevant?
  2. Kan het effect vermeden worden door – in volgorde van afweging – plan/projectaanpassing, wijziging uitvoeringsmethodiek en/of incorporatie van milderende maatregelen?
  3. Welke opvolging is aangewezen omtrent de naleving van de voorwaarden?

(*) In de betekenis van de definitie zoals omschreven in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (21/10/1997 artikel 2 30°: betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone: een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone)

In onderstaande praktische wegwijzer worden de stappen E, F en G toegelicht.

Indien de Passende beoordeling aangeeft dat er een betekenisvolle aantasting te verwachten is, dan kan de bevoegde overheid geen toestemming geven voor het plan/project. Deze praktische wegwijzer behandelt niet de uitzonderingsprocedure welke dient gevolgd om een plan/project toch te laten doorgaan, ook al zijn er negatieve effecten te verwachten. Het alternatievenonderzoek, de dwingende reden van groot openbaar belang en de compensatie komen in deze wegwijzer dus niet aan bod.

Het verschil tussen Voortoets en Passende beoordeling wordt in volgend schema verduidelijkt:

Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

1. Algemeen

De Habitatrichtlijn vraagt om de potentiële effecten van activiteiten te toetsen aan de gunstige staat van instandhouding. Het Natuurdecreet vraagt om te toetsen aan de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Hieronder vallen: het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III bij het Natuurdecreet.

Dit betekent dat ook de standplaatsfactoren op orde moeten worden gebracht, opdat de gunstige staat kan worden bereikt. Hiermee wordt bedoeld: de noodzakelijke zuurgraad, voedselrijkdom en vochthuishouding van de bodem of grondwater,… . Voor de effectbeoordeling van activiteiten, net als voor het bepalen van het beleid tot voorkoming van verslechtering van de habitats en tot behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de kwaliteit van de ecologische standplaatsvereisten, uitgedrukt in grens- en streefwaarden, een belangrijke indicator.

De ecologische standplaatsvereisten van een habitattype kunnen gekoppeld worden aan de staat van instandhouding (gunstig of ongunstig). De grens tussen beide (gunstig of ongunstig) is per standplaatsvereiste de grenswaarde. Binnen de gunstige staat maken de criteria voor lokale staat van instandhouding een onderscheid tussen goed en voldoende. Op de grens tussen deze twee subcategorieën bevinden zich de streefwaarden. Deze spelen geen rol in de passende beoordeling en het vergunningenbeleid.

In volgend schema wordt uitdrukking gegeven aan de relatie tussen de staat van instandhouding en de grens- en streefwaarden.

grens- en streefwaarden

In de effectenanalyse kan berekend worden in hoeverre de abiotische randvoorwaarde wijzigt. Om deze wijziging te kunnen beoordelen, wordt er getoetst aan de grenswaarde.

De huidige milieudruk bepaalt mee de staat van instandhouding van een habitat. Op basis van de grenswaarden voor de ecologische standplaatsvereisten van een habitat, kan dan ook bepaald worden wat de impact is van de huidige milieudruk en de (bijkomende) milieudruk van te vergunnen activiteiten. Er kan nagegaan worden welke marge er is om bijkomende milieudruk toe te laten.

De “kritische grenswaarde” is de maximaal toelaatbare milieudruk per eenheid van oppervlakte of volume voor een bepaald habitattype of leefgebied zonder dat er – volgens de huidige kennis – verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn en/of het behoud/herstel naar de beoogde gunstige lokale staat van instandhouding gehypothekeerd wordt (bron: Implementatie nota IHD, 2013).

Er zijn op heden nog geen grenswaarden gekend voor wat betreft de grondwaterstanden voor habitats. In afwachting van de grenswaarden wordt in de praktische wegwijzer voor de effectgroep wijziging grondwaterstand gebruik gemaakt van referentiewaarden. Deze steunen op materiaal dat actueel reeds in gebruik is en de bron wordt telkens aangegeven. Van zodra de mogelijkheid zich stelt, worden de referentiewaarden vervangen door de ontwikkelde grenswaarden.

2. Welke referentiewaarden worden (in afwachting van grenswaarden) gehanteerd betreffende de gevoeligheid voor wijziging in grondwaterstand?

Grondwaterkwantiteit wordt bepaald door complexe hydrologische processen op landschapsschaal en vertaalt zich op lokale schaal in onder andere grond- en oppervlaktewaterstanden. Voor (grond)watergebonden vegetaties zijn dit (levens)belangrijke randvoorwaarden. Alle vegetaties die in Vlaanderen voorkomen zijn op de een of andere manier van grondwater afhankelijk. Onder een bepaalde diepte ten opzichte van het maaiveld wordt de vegetatie enkel onrechtstreeks beïnvloed, zoals d.m.v. hangwater of capillair opstijgend water. Met grondwaterafhankelijke vegetatietypen worden die vegetaties bedoeld die voorkomen op standplaatsen waar het grondwater in de zomer, afhankelijk van de lokale bodemcondities (met name textuur), niet dieper wegzakt dan 1,5 à 2m onder het maaiveld (Van Daele et al., 2016).

In bijlage is een lijst opgenomen van de grondwaterafhankelijkheid van de habitattypen.

Het grondwaterregime op een bepaalde locatie kan gekarakteriseerd worden aan de hand van hydrologische variabelen zoals de gemiddelde grondwaterstanden (GxG).

Hierbij is:

  • GHG = Gemiddelde hoogste grondwaterstand:

    • Voor elke hydrologisch jaar wordt het gemiddelde berekend van de drie hoogste metingen (=HG3). De GHG is het gemiddelde van de HG3 over tenminste 7 jaar.
  • GLG = Gemiddelde laagste grondwaterstand:
    • Voor elke hydrologisch jaar (= van 1 april tot 31 maart) wordt het gemiddelde berekend van de drie laagste metingen (=LG3). De GLG is het gemiddelde van de LG3 over tenminste 7 jaren.
  • Waarbij:
    • Een hydrologisch jaar start op 1 april en loopt tot en met 31 maart
    • Per hydrologisch jaar moeten er minstens 20 metingen zijn
    • Op ad hoc basis kan worden beslist dat minder dan 7 hydrologische jaren volstaat voor het berekenen van de GHG of GLG.
    • Er moeten 14 dagen liggen tussen de drie metingen van een HG3 of LG3. (Dit is van belang bij meetreeksen met bijvoorbeeld dagelijkse metingen).
    • Wanneer meer frequent dan tweewekelijks wordt gemeten (bv dagelijks of uurlijks met een drukmeter) worden slechts één meting op de 1ste dag van de maand en één meting op de 14de van de maand gebruikt om de HG3 of LG3 te bepalen.
    • De representatieve periode van de metingen mag niet groter zijn dan 30 dagen. De representatieve periode voor een meting wordt gedefinieerd als de periode van halfweg de vorige meting tot halfweg de volgende meting (uitgedrukt in dagen). (Dit is van belang bij onregelmatige meetreeksen).

Een grondwaterafhankelijk vegetatietype zal op een bepaalde locatie enkel binnen een bepaalde range van grondwaterstanden voorkomen. Voor elk vegetatietype bestaat er dus een range voor zowel de GHG als GLG, zijnde minGxG tot maxGxG, uitgedrukt in meter onder het maaiveld.

Effectieve verdroging of vernatting treedt dus pas op als de grondwaterstanden zich bevinden buiten de bandbreedtes van GLG of GHG. Dit wordt geïllustreerd in onderstaande figuur.

effectieve verdroging of vernatting

Valt een (berekende) GxG-waarde buiten de range, dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel is de standplaats te droog, ofwel te nat voor het aanwezige habitattype:

  • Te lage grondwaterstand (=verdroging):

GxGberekend < GxGreferentie

GLGberekend < minGLGreferentie

GHGberekend < minGHGreferentie

  • Te hoge grondwaterstand (=vernatting):

GxGberekend > GxGreferentie

(GH(V)Gberekend > maxGH(V)Greferentie)

GLGberekend > maxGLGreferentie

In NICHE Vlaanderen werd voor 28 vegetatietypes het geprefereerd bereik van zowel de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) als de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) bepaald: de zogenaamde NICHE tabel (Callebaut et al. 2007). Hierbij werd ook rekening gehouden met het ecologisch bodemtype. Voor eenzelfde vegetatietype kunnen de gewenste grondwaterstanden namelijk verschillen naargelang de textuur van de bodem en/of zijn inhoud aan organisch materiaal. De NICHE tabel is gebaseerd op effectief gemeten grondwaterstanden in meer dan 500 referentie sites verspreid over Vlaanderen (Huybrechts et al. 2009). Deze dataset van het NICHE Vlaanderen model wordt bijgehouden door het INBO. Deze bereiken van GLG en GHG worden beschouwd als een referentiewaarde voor deze vegetatietypes.

De referentiewaarden per grondwaterafhankelijk habitattype, die door INBO afgeleid werden uit de NICHE tabel, zijn opgenomen in bijlage. Om de leesbaarheid te verhogen worden de grondwaterstandstanden weergegeven als negatief voor meter onder het maaiveld en positief voor boven het maaiveld. Deze referentiewaarden worden in afwachting van de grenswaarden als toetsingskader gehanteerd.

Op gelijkaardige wijze zullen de grenswaarden (bereiken van GHG en GLG) voor een gunstige staat van instandhouding van een habitattype vastgelegd worden. Indien de grondwaterstand zich bevindt in de bandbreedte van GLG en GHG voor een bepaald habitat, dan is dat habitat in een gunstige staat van instandhouding voor wat betreft de grondwaterstanden. Van zodra deze grenswaarden beschikbaar zijn, zal de praktische wegwijzer aangepast worden.

Algemeen referentiekader

Het kader voor de beoordeling van een effect is de lokale gunstige staat van instandhouding. Aan de gunstige staat van instandhouding zijn bij wijze van belangrijke indicator, grenswaarden gekoppeld voor de passende beoordeling. In de significantie beoordeling van een effect ten opzichte van de lokale staat van instandhouding, wordt nagegaan of de grenswaarden, die uitdrukking zijn van ecologische standplaatsvereisten, gerespecteerd worden.

Bij een goede afweging moet naar een complex van factoren worden gekeken, o.a. :

  • de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats van de speciale beschermingszone;
  • de locatie van de gevoelige habitattypen in de speciale beschermingszone;
  • de ambities met betrekking tot de termijn van realisering van de IHD, zoals blijkt uit de managementplannen;
  • de overige ecologische condities van de habitats;
  • het herstelbeheer in de zin van beheer, dat er op gericht is om tijdelijke ongunstige condities te mitigeren.

Het algemeen referentiekader voor de significantiebeoordeling wordt als volgt uitgedrukt:

" "

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(*) tenzij gunstige regionale staat reeds bereikt

(**) van zodra een gunstige staat van instandhouding op zowel of gebieds- als ook op biogeografisch niveau is bereikt, dient elke marginale afname geval per geval beoordeeld te worden op basis van het voorzorgsprincipe, zowel ten aanzien van de betrokken habitat types, als ook ten aanzien van de algemene beheerstrategie van het gebied en de implicaties voor het behoud van de integriteit van het gebied.

Onder percelen onder beheer worden die percelen bedoeld waarvan de doelstellingen gelokaliseerd zijn via het proces van het managementplan Natura 2000 en verankerd zijn in vb. een beheerplan.

Concreet wordt in de Passende beoordeling dus zowel voor de percelen die reeds onder correct beheer zijn, als voor de voorlopige zoekzones, als voor actueel habitat buiten de voorlopige zoekzones getoetst aan de grenswaarden zolang er onvoldoende oppervlakte onder beheer is.

Van zodra er voldoende oppervlakte onder correct beheer is, en er dus geen zoekzones meer noodzakelijk zijn, wordt voor alle percelen onder beheer nog steeds getoetst aan de grenswaarden. De habitatsnippers die daarbuiten nog voorkomen in de speciale beschermingszone, zijn in principe niet meer nodig voor het behalen van de doelen. In de passende beoordeling wordt dan ook niet langer getoetst aan de grenswaarden maar er zal wel een standstill nagestreefd worden (wat in dit geval dus betekent: een status quo van de deelparameters).

Wanneer bovendien de lokaal gunstige staat bereikt is wordt voor de percelen onder beheer getoetst aan de grenswaarden (dus de lokaal gunstige staat) en zal voor de resterende actuele habitats een standstill gelden.

Algemeen referentiekader voor grondwaterstandswijziging

Het algemeen referentiekader toegepast op de beslisregels voor verdroging en vernatting wordt als volgt uitgedrukt:

 

j

Tijdelijke impact

Permanente impact

Lokaal gunstige staat van instandhouding

  • Actueel habitat
  • Percelen onder beheer
  • Actueel habitat buiten voorlopige zoekzone (zolang onvoldoende oppervlakte onder beheer)

 

Grondwaterstand valt binnen de bandbreedte van het habitat conform de grenswaarden

 

Grondwaterstand valt binnen de bandbreedte van het habitat conform de grenswaarden

Lokaal gunstige staat van instandhouding

  • Voorlopige zoekzone

 

Grondwaterstand valt binnen de bandbreedte van het habitat conform de grenswaarden

Effecten moeten omkeerbaar zijn om de potenties niet te hypothekeren

 

Grondwaterstand valt binnen de bandbreedte van het habitat conform de grenswaarden

Geen permanente hypotheek op de doelen

Lokaal ongunstige staat van instandhouding, indien reeds voldoende oppervlakte onder beheer

  • Actueel habitat buiten voorlopige zoekzone 

 

De actuele bandbreedte voor de grondwaterstand mag niet achteruitgaan (stand still)

 

De actuele bandbreedte voor de grondwaterstand mag niet achteruitgaan (stand still)

 

Stap 1. Baken de toetszone af

De toetszone is een ruimtelijke contour waarbinnen mogelijks een impact bestaat voor de effectgroep wijziging grondwaterstand. Dit is een maximale contour tot waar er geen relevant effect meer is; de zogenaamde nuleffect afstand. Wat betreft grondwaterstandswijziging wordt een verschil (daling/stijging) van 5 cm als maximale contour genomen (Van Daele et al., 2016). 
Dit wil niet zeggen dat elk habitattype een grondwaterstandswijziging van 5 cm kan verdragen. Integendeel, bij sommige zeer gevoelige habitattypen met een nauw bereik, kan een beperkte waterstandsdaling reeds de overslag betekenen naar een ongunstige toestand. Ook vegetatietypen met een groot bereik kunnen gevoelig reageren op kleine wijzigingen in het grondwaterregime. Onder meer wanneer de GxG van een habitat zich in de actuele situatie reeds aan de grens van het bereik bevinden. 
Anderzijds moet er evenzeer rekening gehouden worden met de nauwkeurigheid van de kalibratie en modelonzekerheid van grondwatermodelleringen. 

In de passende beoordeling wordt de toetszone op een gepaste wijze afgebakend. Dit kan met behulp van een lokale (stationaire of niet stationaire) grondwatermodellering of door middel van een analytische formule (Van Daele & De Bie, 2014). In bijlage wordt een sectie van de leidraad voor grondwatermodellering weergegeven.
Er dient bij modellering rekening gehouden te worden met de gecumuleerde effecten van grondwaterstandsveranderingen van verschillende projecten.

Stap 2. Instandhoudingsdoelstellingen, actuele habitats en zoekzones

Net zoals bij de Voortoets, wordt binnen de toetszone nagegaan welke (potentiële) habitats er voorkomen. Dit gebeurt door een onderzoek naar het voorkomen van:

  • De actuele voorkomende habitats;
  • De potentiële habitats: de voorlopige zoekzones waarbinnen de doelen kunnen gelokaliseerd worden;
  • De gelokaliseerde doelen conform het managementplan Natura 2000, …. In afwachting van managementplan 1.1 worden de voorlopige zoekzones gebruikt.

De Biologische waarderingskaart (BWK) en Natura 2000 Habitatkaart voor Vlaanderen zijn in shapefile-formaat downloadbaar via de website van Geopunt. Hier kunnen de actueel voorkomende habitats teruggevonden worden. De voorlopige zoekzonekaarten zijn raadpleegbaar via Geopunt. Meer informatie vind je in het document ‘Handleiding raadplegen zoekzones op Geopunt’ door hier te klikken.

Stap 3 Nagaan gevoeligheid

Binnen de toetszone wordt nagegaan welke habitats gevoelig zijn voor de ingreep (d.m.v. bijlage). Voor de gevoelige habitats worden de bijbehorende standplaatseisen opgezocht. Als referentiewaarden worden op dit moment de gegevens uit NICHE gebruikt (bijlage). Deze worden uitgedrukt als bandbreedtes van de gemiddelde laagste en gemiddelde hoogste grondwaterstand. 
De binnen de toetszone voorkomende grondwaterafhankelijke habitats en hun standplaatseisen worden overzichtelijk weergegeven in de Passende beoordeling.

Stap 4. Bepalen actuele hydrologische toestand en nagaan of deze aanvaardbaar is

4.1 berekening grondwaterstandswijziging

Het is onmogelijk om vaste regels voor de methodiek uit te werken (Van Daele & De Bie, 2014). De variatie op het terrein en de mogelijke keuzes in modelaanpak zijn daarvoor te groot. 
Om af te toetsen aan een bepaalde drempelgrondwaterstandswijziging (5cm) kan een analytische formule volstaan. Dit kan in het geval van kleine winningen met een eenvoudige hydrogeologische stratigrafie en uniforme gelaagdheid. Echter om te toetsen aan GxG referentiewaarden en wanneer winningen een groter gebied beïnvloeden, met aldus een grotere hydrogeologische variatie en complexiteit, zal modellering meestal noodzakelijk blijken. 

De invloedstraal van een individuele grondwateronttrekking op een freatische watervoerende laag kan ingeschat worden met de formule van Thiem/Dupuit (RLB Water) of met de formule van Verruijt. Voor het inschatten van de grondwaterstandswijziging in functie van de tijd kan gebruik gemaakt worden van de formule van Theis.  
Het berekenen van de straal van een afpompingskegel van een grondwaterwinning is gebaseerd op onderstaande redenering:

Afpompingskegel schematische weergave

Meer betrouwbaar en te verkiezen boven de inschatting van de invloedstraal en/of gebruik van 1 dimensionele analytische formules, is complexere grondwatermodellering, numeriek of analytisch.

Voor grotere en/of complexe projecten, die ofwel niet benaderd kunnen worden met eenvoudige formules en/of als deze aangeeft dat er mogelijk een belangrijke impact is op de grondwaterkwantiteit, is het noodzakelijk om de veroorzaakte verlaging te begroten met een grondwatermodel. Overleg met ANB is aangewezen als de inzet van een grondwatermodel wordt overwogen.  Het inzetten van een lokaal grondwatermodel vergt immers maatwerk. Expertkennis van geo-hydrologie is nodig om juiste invoerparameters in het model in te geven.

Om de ecologische effecten te kunnen inschatten via GxG wijzigingen, is een tijdsafhankelijk grondwatermodel vereist.  Bij het gebruik van een model worden onderstaande aspecten geduid in de passende beoordeling:

  • Gebruikt model en gehanteerde inputgegevens worden eenduidig weergegeven, gedane aannames of keuzes van inputgegevens en de mogelijke impact hiervan op de resultaten worden toegelicht. Eventueel wordt er bijkomend onderzoek verricht (bv. uitvoering pompproeven) om de inputparameters zo nauwkeurig mogelijk af te stemmen op de reële situatie.
  • Onzekerheden van het gehanteerde model worden aangegeven en de mogelijke doorwerking van onzekerheden op de resultaten wordt besproken.
  • Voor zover mogelijk worden de gemodelleerde resultaten vergeleken met beschikbare peilmetingen (kalibratie model).
  • Indien grondwater gewonnen wordt uit verschillende watervoerende lagen, moet eveneens de cumulatieve impact gemodelleerd worden.

In enkele gevallen is een grondwatermodellering om het ecologisch effect van een grondwaterstandsverandering te berekenen niet noodzakelijk. Meer bepaald, daar waar veel informatie van het gebied beschikbaar is, zoals:

  • een dicht grondwatermeetnet aanwezig is;
  • lange tijdsreeksen van het grondwatermeetnet ter beschikking zijn (minstens 3 jaar);
  • de geo-hydrologische schematisatie ter plaatse eenvoudig is;
  • de bodemkenmerken gekend zijn;
  • een nauwkeurig DTM (digitaal terreinmodel) aanwezig is; 
  • de ingreep kleinschalig is en de geometrie van de ingreep nauwkeurig gekend is (bv. dempen van lokale grachten);
  • voldoende expertkennis van het ecologisch functioneren van het gebied aanwezig is.

Voor projecten, die individueel een tijdelijk effect (vb bemalen van grondwater zoals bronbemaling) veroorzaken, moet nagegaan worden of de grootteorde van de grondwaterstandsdaling door de tijdelijke bemaling aanvaardbaar is. Voor eenvoudige projecten kan dit aan de hand van een formule (*). Voor grote en complexe bemalingen (zoals bijvoorbeeld bestaande uit een grote oppervlakte, inzet verschillende pompputten, een omvangrijke waterstandverlaging en lange bemalingsduur) is een modelmatige inschatting nodig. Het inzetten van milderende maatregelen om effecten te vermijden is echter cruciaal bij bemalingen. 
Aangezien er weinig kennis is over het verband tussen de duurtijd van de grondwaterstandswijziging en de impact op de vegetatie, gebeurt de uiteindelijke effectbeoordeling op basis van expertenoordeel.

(*) De formule van Sichardt die in de MER-richtlijnenboeken aangehaald wordt als methode om de invloed van een bemaling op het watersysteem en afhankelijke ecosystemen te bepalen, wordt niet langer aangehouden wegens het foutief verband tussen de verlaging en de radiale afstand en daarmee samenhangend de sterke onderschatting van de invloedstraal.

De realisatie van minder doorlatende oppervlakken kan een invloed uitoefenen op de aanrijking van de grondwatertafel. Veelal is enkel een kwalitatieve inschatting van de effecten zinvol. Indien een verharding wordt gerealiseerd over een grote oppervlakte (in verhouding tot de totale oppervlakte van de beïnvloede grondwatereenheid), zonder infiltratievoorzieningen, dan kan op semi-kwantitatieve wijze de gewijzigde aanrijking van de grondwatertafel berekend worden. Dit dient vergeleken te worden met de totale waterbalans voor en na de ingreep. Als er belangrijke verstoringen worden verwacht dan is modellering aangewezen. In het Richtlijnenboek water worden er berekeningsmethoden aangereikt. In de overige gevallen kan globaal gesteld worden dat wanneer er voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Gewestelijke (of desgevallend provinciale of gemeentelijke) Stedenbouwkundige Verordening voor hemelwateropvang de risico’s op het optreden van schadelijke effecten op het watersysteem als gevolg van de realisatie van verharde oppervlakken afdoende beheerst zijn en dat bijgevolg geen bijkomend onderzoek vereist is (RLB water). 

Wijziging van grondwaterkwantiteit ten gevolge van ophoging of afgraving is doorgaans zeer moeilijk te kwantificeren waardoor enkel een kwalitatieve benadering mogelijk is. Echter bij grootschalige projecten zoals natte winningen van delfstoffen is grondwatermodellering meestal noodzakelijk. Overleg met ANB is hierbij wenselijk om de inzet van een grondwatermodel te overwegen.

Op dit moment is er nog geen gebiedsdekkend tijdsafhankelijk grondwatermodel op Vlaams niveau ter beschikking dat voldoende nauwkeurig is om de ecologische effecten van grondwaterstandsveranderingen door te rekenen. Dit betekent dat per project met negatieve impact op grondwaterafhankelijke habitattypen steeds een individueel lokaal (tijdsafhankelijk) grondwatermodel moet ingezet worden. 
 

4.2 Bepalen actuele hydrologische toestand en nagaan of deze aanvaardbaar is

In eerste instantie is het belangrijk om te weten of het betreffende habitattype zich, voor wat betreft het hydrologisch regime, actueel in een gunstige staat van instandhouding bevindt en dat aldus de actuele milieudruk aanvaardbaar is (in afwachting van de grenswaarden wordt echter gewerkt met de NICHE-bereiken om na te gaan of de actuele milieudruk aanvaardbaar is). Binnen de ‘toetszone’ wordt de huidige milieudruk bepaald aan de hand van een grondwatermodellering of een berekening (zie eerder). 

Binnen de maximale grondwatercontour van de activiteit wordt nagegaan welke vergunde grondwaterwinningen er gesitueerd zijn en aan welk debiet zij oppompen. Het voorkomen van grondwaterwinningen kan afgeleid worden uit DOV (Databank Ondergrond Vlaanderen, dov.vlaanderen.be). In het algemeen moet er een onderscheid gemaakt worden tussen het vergund debiet/jaar en het werkelijk onttrokken debiet/jaar. Indien er geen data beschikbaar is voor het werkelijk onttrokken debiet, dan wordt er met het totale vergunde jaardebiet en het vergunde dagdebiet gewerkt. 

Uiteraard zijn er naast grondwaterwinningen ook andere milieufactoren of ingrepen die de lokale grondwaterstand bepalen en een invloed hebben op de standplaatsfactoren van een habitat. Het betreft onder meer het netwerk en diepte van grachten, waterlopen en draineringen.  Lokaal gezien kunnen deze een sterke invloed hebben op de grondwaterstanden en dus bijdragen aan verdroging. Om tot betrouwbare voorspellingen te komen in grondwatermodellering is het noodzakelijk de informatie van het hydrografisch netwerk zo nauwkeurig mogelijk in te brengen.  In grondwatermodellering is dit een standaardtechniek. Het effect van dempen van grachten of verhogen van beekbodempeilen kan in grondwatermodellering berekend worden. Omgekeerd kan dus door een verschil te maken tussen een scenario met en een scenario zonder diepe grachten het effect van diepe grachten op het lokaal grondwatersysteem inzichtelijk gemaakt worden.

Algemeen kan gesteld worden dat de actuele milieudruk goed benaderd kan worden door middel van inbreng van de parameters van de gekende grondwaterwinningen en het hydrografisch netwerk in de grondwatermodellering. De berekende “actuele” toestand geeft dus in feite de milieudruk op het grondwatersysteem goed weer. 
Op basis van het GLG- en GHG-spectrum per habitattype wordt nagegaan of de actuele toestand binnen de bandbreedtes van het habitattype valt. Als dit zo is, is de actuele milieudruk aanvaardbaar.

Stap 5. Berekening impact van het geplande initiatief

Om de bijdrage van de vergunningsaanvraag aan de actuele milieudruk, m.a.w. de impact van het geplande initiatief, te kunnen bepalen en beoordelen, moeten verschillende scenario’s onderzocht worden. Het aantal te vergelijken scenario’s is afhankelijk van de aard van de aanvraag: nieuw, hervergunning (gelijkblijvend debiet) of wijziging van de bestaande vergunning (toename of afname debiet).   

De volgende scenario’s zijn van belang om tot conclusies te kunnen komen:
-    Toestand zonder winningen; 00 toestand (00) = actuele hydrologie, zonder vergunde grondwaterwinningen
-    Nul scenario (0) = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, (zonder de vergunningsaanvraag)
-    Bestaande (actuele) toestand (Ac) = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, inclusief de bestaande winning op basis van het werkelijk opgepompt debiet. 
-    Geplande toestand (Ge) = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, inclusief de wijzigingsaanvraag (uitbreiding of afname), op basis van het maximum te vergunnen debiet

Volgende scenario’s worden vergeleken:
verschillende scenario's voor impactbeoordeling

Ook het effect van lokale (herstel)maatregelen en/of de bijdrage van mildering kan berekend worden. 

Door deze verschillende scenario’s te vergelijken kan de bijdrage van een project/plan aan de actuele milieudruk bepaald worden. 

Voor andere activiteiten dan grondwaterwinning en bemaling, die leiden tot een impact op grondwaterniveau, kan een gelijkaardige werkwijze gevolgd worden. Meestal wordt dan een vergelijking gemaakt tussen de actuele toestand en de geplande toestand waarbij tekens de vergunde grondwaterwinningen ongewijzigd worden ingebracht.
Enkel indien cumulatieve effecten van geplande en/of vergunde (maar nog niet gerealiseerde) projecten moeten berekend worden, worden deze ingebracht in een nieuwe actuele of toekomstige situatie. Een voorbeeld hiervan kan het bijkomend effect zijn van hydrologische herstelprogramma’s in het modelgebied of geplande delfstoffenwinning. De eindtoestand wordt dan steeds ingebracht.

Vervolgens wordt de output van het grondwatermodel gebruikt om de ecologische impact te bepalen en om na te gaan in welke mate het scenario afwijkt van de standplaatsvereisten van het (potentiële) habitat (door te vergelijken met de referentiewaarden). 

Het bepalen van de ecologische impact kan op twee manieren gebeuren:
-    ofwel door de inzet van hydro-ecologische modellen die gebruik maken van de dataset van de NICHE databank; 
-    ofwel door per polygoon een vergelijking te maken tussen de berekende GxG en de GxG-referentiewaarde van het voorkomend of tot doel gestelde habitat. 

VOORBEELD VAN EEN ECO-HYDROLOGISCH MODEL: NICHE VLAANDEREN
Door middel van de inbreng van de resultaten van het grondwatermodel in een hydro-ecologisch model kan bepaald worden welke potentiële vegetatietypes kunnen voorkomen onder welk (gewijzigd) grondwaterregime. Het model is gebaseerd op de standplaatsfactoren bodemtype, grondwaterstand, voedselrijkdom en zuurtegraad en geeft potentiële arealen weer van vegetatietypes. Het model NICHE Vlaanderen is ontwikkeld op initiatief van AquaFlandres in samenwerking met INBO en VMM, op basis van het hydro-ecologisch model dat ontwikkeld werd door het voormalige Kiwa Water Research in Nederland. Het model wordt beheerd door VMM en INBO en kan mits financiële vergoeding projectmatig ingezet worden waarbij INBO de aangeleverde input in het model brengt en de resultaten levert aan de aanvrager. Er wordt momenteel onderzocht op welke manier NICHE Vlaanderen toegankelijker gemaakt kan worden voor het publiek.

VOORBEELD VAN DE VERGELIJKINGSMETHODE
Indien er niet geopteerd wordt voor een hydro-ecologische modellering dient de actuele habitatkaart (of gelokaliseerde doelen en/of zoekzone) omgezet te worden naar een zogenaamde “standplaatskaart of GxGkaart”. Voorwaarde is echter dat de NICHE-bodemkaart van het gebied binnen de verlagingscontour ter beschikking is. In eerste instantie gebeurt er een omzetting van de habitatkaart naar een polygonen- of rasterkaart overeenstemmend met de cellen van het grondwatermodel. Dan wordt op basis van de berekende GxG, het bodemtype en het habitattype aan elke polygoon of modelcel een standplaats (referentiewaarden) toegekend. Als beslisregel geldt dat steeds het meest gevoelige habitat per polygoon wordt geselecteerd en het bodemtype met de grootste oppervlakte binnen de polygoon. Voor wat betreft verdroging wordt het meest gevoelige habitat gedefinieerd als het habitat met de hoogste vereiste grondwatertafel.

Op basis van de berekende GxG kan de grootteorde van de overschrijding van de ecologische bandbreedte bepaald worden. De resultaten van de berekeningen/modelleringen worden ruimtelijk weergegeven via verschilcontouren en eveneens weergegeven in een overzichtelijke tabel. 

Verschillende situaties kunnen vergeleken worden, zoals actueel, vergund, gepland, een aantal scenario’s van mildering, …  en al dan niet rekening houdend met de cumulatie van activiteiten in de omgeving en de bestaande milieudruk. Volgende situaties worden weergegeven:
•    De grondwaterdiepte t.o.v. maaiveld voor GLG en GHG voor de huidige, geplande toestand en eventuele scenario’s;
•    De berekende grondwaterstandsverschillen voor de GLG, GHG ten gevolg van de impact van het onderzochte project. 
•    De eventuele cumulatieve berekening, rekening houdend met projecten in de omgeving.
In grondwatermodelleringen wordt dit standaard als verschillende scenario’s gepresenteerd.
 

Stap 6. Leidt de impact tot een betekenisvol effect?

Bij de beoordeling van het effect wordt een onderscheid gemaakt in twee situaties: 
A.    De actuele milieudruk valt buiten de ecologische bandbreedte van de (potentiële) habitats: de huidige milieudruk mag niet verder toenemen. Er worden geen nieuwe vergunningen toegelaten die leiden tot een verdere daling (of stijging in geval van vernatting) van het grondwaterpeil. De voorwaarden waaronder het verkrijgen van een nieuwe vergunning, een hervergunning of een vergunningswijziging mogelijk is worden weergegeven aan de hand van onderstaande beslisschema’s.
B.    De actuele milieudruk valt binnen de ecologische bandbreedte van de (potentiële) habitats: er doen zich op heden geen problemen voor van te lage of te hoge grondwaterstanden, er is ruimte voor uitbreiding tot zover de referentiewaarden niet worden overschreden (dus zolang het binnen de bandbreedte blijft). Ook hier wordt een onderscheid gemaakt in nieuwe vergunning, hervergunning of vergunningswijziging. 

Onderstaande beslisschema’s zijn uitgewerkt per type vergunningsaanvraag.

Uitgangspunt is dat er een tijdsafhankelijke modellering uitgevoerd is of dat de actuele milieudruk gekend is a.d.h.v. meetresultaten.  Indien er enkel met een formule gewerkt wordt en de actuele milieudruk niet gekend is, kan enkel besloten worden dat wanneer een grondwatergevoelig habitat binnen de verlagingscontour van 5cm valt het effect steeds betekenisvol is, tenzij anders kan gemotiveerd worden.

Bij de beoordeling van de effecten wordt dus rekening gehouden met de actuele milieudruk en desgevallend cumulatieve effecten. Het beslisschema is toegepast op grondwaterwinningen, maar kan vergelijkbaar toegepast worden op andere activiteiten die een impact hebben op grondwater. 

In het beslisschema wordt uitgegaan van verdroging, vandaar dat getoetst wordt aan al dan niet een onderschrijding van de GLG min (laagste grondwatertoestand). Daarnaast moet eigenlijk ook getoetst worden voor verdroging bij grondwaterstand onder GHGmin van het habitattype.
Indien er sprake is van vernatting wordt getoetst aan het bereik van de GHG. Voor de beoordeling van de significantie wordt dan nagegaan of er een overschrijding is van de GHG max.

De bijbehorende legende bij de figuren in onderstaande beslisschema’s is als volgt te begrijpen:

Het groene vlak stelt de bandbreedte van GLG voor waaraan getoetst moet worden, met name de grenswaarden (voorlopig nog referentiewaarden) voor het betreffende habitattype wanneer getoetst moet worden aan de lokaal gunstige staat (zie eerder algemeen referentiekader).
St = Standplaatsvereisten van het habitattype 
(00) Toestand zonder winningen = actuele hydrologie, zonder vergunde grondwaterwinningen
(0) Nul scenario = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, (zonder de hervergunningsaanvraag)
(Ac) Bestaande (Actuele) toestand = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, inclusief de  bestaande winning als een hervergunning wordt aangevraagd. 
(Ge) Geplande toestand = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, inclusief de wijzigingsaanvraag (uitbreiding of afname)
 

6.1 Nieuwe vergunning

Te beschouwen toestanden (gemodelleerd):

  • Bestaande toestand (Ac) = actuele hydrologie en alle vergunde winningen 
  • Geplande toestand (Ge) = actuele hydrologie, alle vergunde winningen inclusief de vergunningsaanvraag

Situatie 1: de berekende GLG actueel valt binnen de bandbreedte van GLG van de standplaats voor het habitattype. De geplande situatie zorgt voor een verlaging van de GLG maar blijft boven het niveau van de GLGmin als standplaats. Het effect is niet significant negatief. De vergunning kan gegeven worden.

Nieuwe vergunning scenario 1

Situatie 2: de berekende GLG actueel is lager dan de GLG als standplaats voor het habitattype. Er is actueel verdroging vastgesteld. De geplande situatie zorgt voor een verdere verlaging van de GLG. Het effect is significant negatief.  

Nieuwe vergunning scenario 2

Indien door het nemen van lokale maatregelen de GLG Actueel kan verbeterd worden, zodat deze binnen de ecologische bandbreedte valt, dan kunnen situaties 1 of 3 beschouwd worden. Het nemen van lokale hydrologische maatregelen vergt maatwerk en is/ kan onderdeel zijn van een natuurrichtplan of beheerplan. Het effect van de lokale maatregelen dient doorgerekend te worden.

Situatie 3: de berekende GLG actueel valt binnen de bandbreedte van de  GLG van de standplaats voor het habitattype. De geplande situatie zorgt voor een verlaging van de GLG tot onder het niveau van de GLGmin als standplaats. Het effect is significant negatief.  Het significant negatief effect dient gemilderd te worden. De vergunning kan maar gegeven worden met mildering, waarbij de GLG gepland niet lager komt dan de GLGmin van de standplaats.

Nieuwe vergunning scenario 3

6.2 Hervergunning (gelijkblijvend debiet)

Te beschouwen toestanden (gemodelleerd):

  • 00 toestand (00) = actuele hydrologie, zonder vergunde grondwaterwinningen
  • Nul scenario (0) = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, zonder de hervergunningsaanvraag
  • Bestaande toestand (Ac)= actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, inclusief de bestaande winning waarvoor een hervergunning wordt aangevraagd. Deze toestand is voor een hervergunning dus gelijk aan de geplande toestand (Ge).

Situatie 1: de berekende GLG actueel valt binnen de bandbreedte van de  GLG van de standplaats voor het habitattype. De geplande situatie zorgt voor een verlaging van de GLG tot boven het niveau van de GLGmin als standplaats. Het effect is niet significant negatief.  De vergunning kan gegeven worden.

Gelijkblijvend debiet scenario 1

Situatie 2: de berekende GLG 0-toestand valt binnen de bandbreedte van de  GLG van de standplaats voor het habitattype. Het habitat is niet verdroogd in deze toestand, ook als er geen enkele grondwaterwinning in rekening wordt gebracht (GLG 00).  De geplande toestand zorgt voor een verlaging van de GLG tot onder het niveau van de GLG als standplaats. Het effect is significant negatief.  Er is verdroging opgetreden. De hervergunning kan maar gegeven worden met mildering, waarbij de GLG gepland niet lager komt dan de GLG van de standplaats.

Gelijkblijvend debiet scenario 2

Situatie 3: de berekende GLG 0-toestand valt buiten de bandbreedte van de GLG van de standplaats voor het habitattype. Het habitat is verdroogd. Zonder winningen (00 toestand) valt de GLG wel binnen de bandbreedte van de standplaats van  het habitat. De geplande toestand zorgt voor een verlaging van de GLG tot onder het niveau van de GLGmin als standplaats. Het effect is significant negatief.  De hervergunning kan maar gegeven worden na mildering. De mildering is een proportioneel aandeel van de hervergunning ten opzichte van het totaalpakket van de grondwaterwinningen.

Gelijkblijvend debiet scenario 3

Het proportioneel aandeel dat wel vergund kan worden, kan als volgt berekend worden:
           Totale impact van alle winningen IT waarbij    I= GLG Ac- GLG 00
           Impact van de hervergunning IH waarbij         IH = GLG Ac – GLG 0
           Procentuele aandeel van de hervergunning t.o.v. totaal van de winningen P waarbij

                 P =     IH / IT * 100

In  het voorbeeld:
           GLG 00 = 8 cm onder maaiveld
           GLG 0 = 13 cm onder maaiveld
           GLG actueel (=gepland) = 18 cm onder maaiveld

           waarbij  IT = 18-8 = 10
                        IH = 18-13 = 5 
           en P  = 5/10 * 100 = 50 %

In het voorbeeld kan een hervergunning enkel gegeven worden indien er 50 % minder debiet wordt vergund. Het gemilderd effect kan dan als niet significant beschouwd worden.
 

6.3 Uitbreiding (toename van het debiet)

Te beschouwen toestanden (gemodelleerd):

  • 00 toestand (00) = actuele hydrologie, zonder vergunde grondwaterwinningen
  • Nul toestand (0) = actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, zonder de hervergunningsaanvraag
  • Actuele toestand (Ac)= actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, met de bestaande winning (zonder de uitbreiding die wordt aangevraagd) 
  • Geplande toestand (Ge)= actuele hydrologie met alle vergunde grondwaterwinningen, met de bestaande winning inclusief de gevraagde uitbreiding

Situatie 1: de berekende GLG 0 en GLG actueel vallen binnen de bandbreedte van de  GLG van de standplaats voor het habitattype. De geplande situatie zorgt voor een verlaging van de GLG tot boven het niveau van de GLGmin als standplaats. Het effect is niet significant negatief.  De vergunning kan gegeven worden.

Uitbreiding scenario 1

Situatie 2:  de actuele toestand valt binnen de bandbreedte van de GLG van de standplaats voor het habitattype (met het debiet van de bestaande winning). Door de uitbreiding valt de GLG van de geplande situatie onder de GLGmin van de standplaats. De uitbreiding kan enkel na mildering toegestaan worden tot binnen de GLG van de standplaats.

Uitbreiding scenario 2

Situatie 3: de actuele toestand valt buiten de bandbreedte van de GLG van de standplaats van het habitattype. Het habitattype is verdroogd. Door de uitbreiding wordt de verdroging groter. Het effect is significant negatief. De uitbreiding kan niet toegestaan worden, in tegendeel het huidige vergunde debiet dient af te nemen. De vergunning is enkel mogelijk met een mildering, een afname scenario.  De mildering is een proportioneel aandeel van de bestaande vergunning ten opzichte van het totaalpakket van de grondwaterwinningen.

Uitbreiding scenario 3

Totale impact van alle winningen      IT= GLG Ac- GLG 00
Impact van de bestaande winning      IB = GLG Ac – GLG 0
Procentuele impact van de bestaande winning  t.o.v. totaal van de winningen:

             PB =     IB / IT * 100

Totale impact van alle winningen     IT= GLG Ge - GLG 00
Impact van de hervergunning          IH = GLG Ge – GLG 0

Procentuele impact van de hervergunning t.o.v. totaal van de winningen 

             PG =     IT / IG * 100

De uitbreiding kan niet vergund worden. De bestaande winning kan enkel vergund worden mits mildering volgens het PB scenario (% minder debiet).

In hoeverre kan gemilderd worden?

Onderstaand worden enkele milderende maatregelen opgelijst:

•    Minder grondwater oppompen / capaciteit winning aanpassen aan standplaatsvoorwaarden habitats;
•    De hoeveelheid grondwater beperken bij een winning door het nemen van waterbesparende maatregelen of omschakeling naar een ander type water bevoorrading;
•    Gedeeltelijke omschakeling naar een andere watervoerende laag;
•    Reductie van de invloedssfeer van bemaling door aangepaste bemalingstechnieken (retourbemaling, …);
•    Bemalingsperiode beperken in de duurtijd, en bemaling voorzien in droge periode (vroege najaar);
•    Voor lijninfrastructuren (collectoren, gasleidingen): aangepaste uitvoeringstechnieken (gestuurde boringen);
•    Niet realiseren van ondergrondse constructies zodat geen bemaling vereist is;
•    Aangepaste uitvoeringstechnieken zodat geen bemaling vereist is (gesloten bouwput);
•    Beperken van de verharde oppervlakte en voorzien van doorlatende verharding;
•    Realiseren van infiltratievoorzieningen;
•    Verondiepen van de bedding van waterlopen;
•    Verlagen bodemverhang van waterlopen;
•    Aanpassen peilbeheer waterbeheerinfrastructuur;
•    Minder frequent tot niet ruimen van onderhoudsmaatregelen aan waterlopen (bv. ruimingen);

Bij bepaalde projecten worden milderende maatregelen reeds opgenomen in de ontwerpfase van het project. In dat geval zijn deze maatregelen geïntegreerd in het project en de effectbepaling ervan en worden dus niet afzonderlijk begroot als milderende maatregel.

Enkel als er daar bovenop nog extra milderende maatregelen voorgesteld worden, zijn afzonderlijke berekeningen noodzakelijk en worden de verschillende scenario’s (met en zonder milderende maatregelen) met elkaar vergeleken. Hun effect wordt op dezelfde wijze in beeld gebracht als dat van het project zonder de mildering.

Voorbeeld

In bijlage is een uitgewerkt voorbeeld terug te vinden.

Referenties

Anon, 2011, Richtlijnenboek milieueffectrapportage “Richtlijnenboek voor de discipline water”  eindversie  rev. 0.7  in opdracht van LNE, dienst milieueffectrapportage (LNE/AMNEB/MER/RLB/WATER/2009), uitgevoerd door Grontmij en Sertius

Callebaut, J.; De Bie, E.; De Becker, P.; Huybrechts, W. 2007, NICHE Vlaanderen : SVW : 1-7, Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek: Brussel. 252 pp. 

CIW, Maatregelenprogramma voor Vlaanderen 2010 – 2015, Maatregelenprogramma bij de stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas, Verantwoordelijk uitgever Frank Van Sevencoten, voorzitter CIW, Depotnummer: D/2010/6871/030

De Becker P., Sterckx G., Van Looy K., Huybrechts W., Nagels K., 2005, Evaluatie kwetsbaarheid Vlaamse H en V gebieden langs de grensmaas- Gevolgde procedure IN.A.2005.7

De Bie, E.; Herr, C.; Huybrechts, W., 2011, Voorstudie naar de opmaak van ecologische waterkwantiteitsdoelstellingen voor de Speciale Beschermingszones (SBZ-H), Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2011.7. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): Brussel. 73 pp

Herr C., De Bie E., Corluy J., De Becker P., Wouters J.,  Hens M., 2012, Impactanalyse AS IS. Analyse van de actuele milieudruk op de aanwezige habitattypen in de Vlaamse SBZ-H gebieden, INBO.R.2012.3, Studieopdracht ANB/2011/GGB/006.

Huybrechts W., De Becker P., Callebaut J., De Bie E., 2009, Database Flanders Wetland Sites (FlaWet1.0) manual. Intern rapport INBO.IR.2009.1. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel

Van Daele T. & De Bie E., 2014, Leidraad grondwatermodellering voor passende beoordeling (intern INBO rapport).

Van Daele T., Herr C., Adriaens D., Raman M., De Becker P., 2016, Advies over de nuleffectcontour bij impactanalyses over verdroging. INBO.A.3478